Afshin Ellian Afshin Ellian

Voor de rancuneuze opperrechters stond vast: Bram moest hangen

Door Afshin Ellian - 23 april 2013

Het is de hoogste tijd om de Nederlandse bond tegen rancune op te richten. Zo’n bond zou een enorme bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van Nederland.

De advocaat-rechter heeft gesproken. De aangeklaagde advocaat heeft schuld bekend. Het mea culpa was al uitgesproken. Hij had zijn leven binnen een paar maanden moeten beteren.

Hij moest zijn cliënten dienen, anders zouden de bloedhonden klaar staan om hem te dagvaarden via een kort geding.

Waarom is hem – via een voorwaardelijke uitspraak – niet meer tijd gegund? Pas daarna zou een definitief oordeel moeten worden geveld.

Zuiverheid

De tucht van de vakgenoten, oftewel concurrenten. De tucht van de markt. De tucht van de moraal. De katholieken leven met ‘Wees gegroet Maria en nu verder’, en de protestanten leven met de tucht om de zuiverheid van de mens te behoeden.

Van Reine Rede naar de Reine Mens. De tucht is niet zomaar uitgevonden. De integere mens moet worden beschermd. Wie dat niet begrijpt, moet worden getuchtigd.

Terrorisme

En dan is er nog de opperrechter van Nederland, de voormalige wielerverslaggever Bert Wagendorp. Bert begrijpt nog steeds niet waarom het terrorisme serieus wordt genomen.

Debilisering van ernstige zaken geeft lucht aan de werkelijkheid. Deze opperrechter heeft in zijn oneindige wijsheid het dictum uitgesproken: Bram is een beroepsleugenaar.

Beroepsleugenaar

De rechter vond deze uitdrukking toelaatbaar in het kader van de vrijheid van meningsuiting, maar de rechter heeft niet gezegd dat Moszkowicz een beroepsleugenaar is.

Hoe weet de opperrechter van de tweede pagina van de krant van het volk dat Bram een beroepsleugenaar is? Omdat Bram volgens deze opperrechter in ‘een glamourwereld van prijzige auto’s, mooie vrouwen en maatpakken’ leefde. Dat was het. Het is het kleinzielige, rancuneuze gevoel van de kleine man. Verdorie Bram, had maar een maatpak gekocht voor Wagendorp en zijn vriendjes in medialand.

Kanker

De rancuneuze gesteldheid van Bert Wagendorp is reden genoeg om Bram niet te vergeven. Bert de fietsverslaggever is een voorbeeld van de geestelijke kanker waaraan dit volk lijdt: rancune van de kleine man.

Een rancuneus mens is chronisch woedend en altijd een opperrechter – omdat hij veel mist, namelijk precies datgene wat het object van zijn rancune wel heeft. Een rancuneuze man is boos op anderen: de ander heeft succes bij mooie vrouwen, hij moet het doen met een lelijke vrouw. De ander is welbespraakt en gekwalificeerd, hij is dat niet. De ander rijdt in mooie auto’s, hij heeft geen mooie auto’s, maar wel een fiets om daarmee de Tour der Leugens te verslaan.

Rancune

De rancuneuze man beschouwt zichzelf als een schim aan de randen van de Noordzee waarvan zelfs de verdwijning niet zou opvallen. Juist de politiek correcte clichématige columnisten verweten Geert Wilders dat hij rancune heeft gemobiliseerd.

Rancuneuze mensen zouden op Wilders stemmen. Eigenlijk is Wagendorp met zijn rancuneuze geaardheid een echte-Wilders stemmer.

Het is daarom de hoogste tijd om de Nederlandse bond tegen rancune op te richten. Het zou een enorme bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van Nederland.

Wraking

Over de bijdrage van advocaat Bram Moszkowicz aan de ontwikkeling van de strafrechtspleging, zoals de kwestie van wraking en de houding van een rechter jegens een verdachte, hoor je helemaal niets meer. Wagendorp neem ik het niet kwalijk. Hij is niet alleen rancuneus, maar ook ongekwalificeerd voor dit soort zaken.

Van tucht naar ‘integriteit’. Integriteit is de allerlaatste uitvinding, waarvoor men bereid is over lijken te gaan. Bij de verschijning van de reine en integere mens ontstaat plotseling het verlangen naar de normale mens die weleens een wet overtreedt.

Is het begrip integriteit in de advocaten- en zakenwereld niet een geconditioneerd en daardoor relatief begrip?

Concurrent

Bram heet hij. Nee, Brammetje. Zo noemen zijn concurrenten hem. Nu is er een concurrent minder. Hoe moeten we deze gecompliceerde geschiedenis begrijpen? Mijn collega Gelijn Molier maakte mij attent op deze tekst van Multatuli.

Barbertje is Brammetje. Waarlijk: Brammetje, Barbertje en ook Lothario moeten hangen. Ach, dat lucht op: hang ze maar op!

Gerechtsdienaar: Mijnheer de rechter, daar is de man die Barbertje vermoord heeft.

Rechter: Die man moet hangen. Hoe heeft hij dat aangelegd?

Gerechtsdienaar: Hij heeft haar in kleine stukjes gesneden, en ingezouten.

Rechter: Daaraan heeft hij zeer verkeerd gedaan. Hij moet hangen.

Lothario: Rechter, ik heb Barbertje niet vermoord! Ik heb haar gevoed en gekleed en verzorgd. Er zijn getuigen die verklaren zullen dat ik ’n goed mensch ben, en geen moordenaar.

Rechter: Man, ge moet hangen! Ge verzwaart uw misdaad door eigenwaan. Het past niet aan iemand die… van iets beschuldigd is, zich voor ’n goed mensch te houden.

Lothario: Maar, rechter, er zijn getuigen die het zullen bevestigen. En daar ik nu beschuldigd ben van moord…

Rechter: Ge moet hangen! Ge hebt Barbertje stukgesneden, ingezouten, en zijt ingenomen met uzelf… drie kapitale delikten! Wie zijt ge, vrouwtje?

Vrouwtje: Ik ben Barbertje.

Lothario: Goddank! Rechter, ge ziet dat ik haar niet vermoord heb!

Rechter: Hm… ja…zoo! Maar het inzouten?

Barbertje: Neen, rechter, hij heeft me niet ingezouten. Hij heeft mij integendeel veel goeds gedaan. Hij is ’n edel mensch!

Lothario: Ge hoort het, rechter, ze zegt dat ik ’n goed mensch ben.

Rechter: Hm… het derde punt blijft dus bestaan. Gerechtsdienaar, voer dien man weg, hij moet hangen. Hij is schuldig aan eigenwaan. Griffier, citeer in de praemissen de jurisprudentie van Lessing’s patriarch.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.