Liesbeth Wytzes

Sommige mensen schrijven net zo onsmakelijk als ze kauwgom kauwen

Door Liesbeth Wytzes - 03 juni 2013

Jammer genoeg voor mezelf erger ik me heel snel. Dat zie ik als een ernstige handicap, want je steekt een hoop energie in iets waaraan je niets kunt doen, en het is bijna onmogelijk om het af te leren.

Zo stoor ik me aan slechte eetgewoontes, bijvoorbeeld eten met je mond open, of praten met je mond vol for that matter. Of heel hard je neus ophalen zodat je het snot naar binnen hoort ratelen. Mensen zijn vieze dieren, dat is duidelijk, maar dat hoef je niet steeds te laten merken.

Er gaat ook een vreemde aantrekkingskracht uit van iets waaraan ik me erger. Zo staarde ik laatst werkelijk minutenlang naar een meisje dat zo onsmakelijk met open mond haar kauwgom kauwde, dat ik de indruk moet hebben gemaakt van een idioot. Ik vond het vies, maar ik moest er toch naar kijken, net zoiets als lekker griezelen.

Mensen bij wie een steekje los zit, hebben ook weleens de neiging te dicht bij een ander te gaan staan om vervolgens heel lang naar die persoon te kijken.

Pet hates

Enfin, ik kan een hele lijst maken met mijn pet hates, maar dan zou ik echt een vreemde indruk maken, dus laat ik mij beperken tot de ergernis die verkeerd taalgebruik bij mij opwekt. Natuurlijk maak ik zelf ook fouten (dat schrijf ik hier nu op om mezelf vrij te pleiten, maar ik denk natuurlijk diep van binnen dat ik, op dit gebied althans, zowat feilloos ben).

Zaterdag lees ik ’s ochtends de Volkskrant, die nog daadwerkelijk bij mij ‘op de mat’ valt. Ik begin met de makkelijke afdeling, het magazine. Daarin lees ik wat een zogeheten Bekende Nederlander in het weekend ’s ochtends doet. Dat stukje wordt geschreven door een paar journalisten die hun best doen dat met Schwung en zwier te schrijven, en dat kunnen we natuurlijk alleen maar toejuichen.

Miniatuurtreintjes

Deze week vertelde VVD’er Ed Nijpels over zijn liefde voor de miniatuurtrein, in het bijzonder die van het klassieke merk Märklin. Zo innig bemint hij die peperdure treintjes dat hij ze heel voorzichtig vasthoudt. Om die behoedzaamheid uit te drukken, gebruiken de journalisten het woord ‘teerling’. Hij houdt zijn treintje vast alsof het een teerling is.

Bij het lezen van die vergelijking golfde de thee over het schoteltje. Teerling! Ze weten helemaal niet wat dat is! Ze denken dat het een teer en breekbaar iets is! En dit zijn mensen van de Google-generatie die niets hoeven te weten want ze kunnen het opzoeken! Zoek het dan ook op! Maar dat doen ze niet eens!

Ik zeg het nu en ik zeg het niet nog een keer: een teerling is een dobbelsteen. Wat zou anders de uitdrukking ‘de teerling is geworpen’ betekenen? Dat er met iets breekbaars wordt gegooid? Een speelgoedtreintje wellicht?

Zen

Dit stoort mij dus en er zijn wekelijks talloze vergelijkbare voorbeelden (ook ‘karakters’ in plaats van ‘personages’, dat zie je steeds vaker in recensies: een anglicisme).

Ik wil liever zo zen zijn dat ik mijn schouders hierover ophaal. Wat kan mij het schelen dat er een fout staat. De mensen zeggen tegenwoordig weleens: ‘Ik laat dat gewoon niet binnenkomen.’ Maar dat lukt me gewoon niet. Het stoort me dat anderen slordig omgaan met iets waar ik zelf, en wij allemaal trouwens hier, zo mijn best op doe.

‘Als iemand er op mijn vakgebied een potje van maakt, ontsteek ik in verontwaardiging, want ik voel me miskend,’ schrijft socioloog Goudsblom ergens. Bij mij komt het dus lekker binnen. Het is schoolfrikkerig, ik weet het. Maar ik zou totale onverschilligheid nog veel erger vinden dan incidentele ergernis.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.