Afshin Ellian Afshin Ellian

Open brief aan de directeur van het Anne Frank Huis

Door Afshin Ellian - 15 april 2014

Waarom heeft Ronald Leopold, de directeur van het Anne Frank Huis, zulke grote bezwaren tegen het toneelstuk Anne, geschreven door Jessica Durlacher en Leon de Winter?

Geachte Ronald Leopold,

Ik heb gemerkt dat er enige commotie is ontstaan over het toneelstuk Anne dat binnenkort in première gaat. U bent als directeur van de Anne Frank Stichting de drijvende kracht achter de commotie.

Dat spijt mij bijzonder. Het stuk is door mijn vrienden Jessica Durlacher en Leon de Winter met bloed, zweet en tranen geschreven, en het verdient geen ‘commotie’.

Al googelend ontdekte ik dat uw Stichting indertijd een zeer platte commerciële bewerking – namelijk de Spaanse musical die in 2008 in Madrid werd opgevoerd – volop steunde. Het Anne Frank Fonds in Bazel, opgericht door Annes vader Otto Frank nadat hij zich niet meer kon identificeren met uw stichting, was fel gekant tegen een musical en is dat nog steeds.

Enkele maanden geleden gaf u uw steun aan een peperdure Duitse televisiebewerking van Annes dagboek. Moest allemaal kunnen, vond u. Opnieuw was het Fonds in Bazel tegen zo’n bewerking.

Ik ben benieuwd waarom u een musical en een overdadige televisieserie wel kunt verdedigen, en het ingetogen geschreven toneelstuk Anne niet. Waarom kweekt u zo’n nare stemming? Het Bazelse Fonds is vertegenwoordiger van Annes familie, en die wil een nieuw toneelstuk.

Het is niet aan de Stichting, die in feite niet meer is dan de beheerder van een huiveringwekkend pand, om dwars te liggen. De familie heeft de eerste rechten.

Otto Frank besloot lang geleden om het dagboek van zijn dochter te publiceren. Met dat boek hebben uitgevers en boekhandelaren veel geld verdiend, en doen dat nog steeds. Otto liet ook een toneelstuk maken, en ook dat bracht veel geld op. Hij financierde er liefdadigheid en educatieprojecten mee.

Aan de roem van het boek dankt ook de Stichting zijn bestaansrecht. Was Otto Frank zijn dochter aan het ‘commercialiseren’? Hadden de boekhandelaren het boek dan moeten weggeven? Had Otto geen liefdadigheid moeten bedrijven? Had u geen baan moeten hebben?

Door de publicatie werd het boek een product. Er werd handel mee gedreven. En lezers maakten kennis met de donkerste bladzijden van onze geschiedenis. De ‘commercialisering’ was een onvermijdelijke en terechte stap in de nagedachtenis van dat bijzondere meisje. En datzelfde gebeurt nu met het nieuwe toneelstuk.

U trapt en slaat als een dolle om u heen. U doet alsof er voor het eerst een toneelstuk wordt opgevoerd en theaterproducenten geld – o, wat erg – verdienen aan de opvoering ervan. Maar dat gebeurt al bijna zestig jaar.

Dertig jaar geleden ging het ‘oude’ toneelstuk in Nederland opnieuw in première. Producent Jacques Senf heeft er goed aan verdiend. Net als Jeroen Krabbé, die Otto speelde. Hierna kon het Bazelse fonds opnieuw goede doelen financieren.

Uw Stichting omarmde dat stuk indertijd – nu opeens niet meer? Ik vind u een beetje vreemd, meneer Leopold. Kon u niet wachten met uw opmerkingen maken totdat u het stuk had gezien?

Ik heb over u nagedacht. Het gaat u niet om de inhoud, het gaat u om de spijswetten.

Uw huidige weerstand, zo legt u overal uit, heeft te maken met het feit dat in het theater waarin het stuk wordt gespeeld, alles kan worden gegeten. Dat er champagne kan worden gedronken – wat in Madrid trouwens ook kon. En hoe had u willen voorkomen dat in Duitsland bij het uitzenden van de televisieserie de Duitse kijker een worstje wegwerkte?

Wat u ook stoort, zo maakt u duidelijk (bent u echt zo bespottelijk miezerig?), is dat alles vooraf in een ‘arrangement’, dus zowel een toegangskaartje als een maaltijd, kan worden gereserveerd.

U weet dat dat in veel theaters mogelijk is. Het oorlogstoneelstuk War Horse wordt binnenkort gespeeld in Carré en dit theater heeft ook, schrik niet, dineraanbiedingen en pauzearrangementen. Daarover heeft niemand opmerkingen gemaakt, ook u niet. Maar kennelijk vindt u dat het niet kan wanneer er een toneelstuk wordt opgevoerd over Anne Frank.

Ik besef opeens dat het ‘oude’ toneelstuk uit 1955 dagelijks overal in de wereld wordt gespeeld, en het dringt tot me door dat u uw handen vol moet hebben aan het kritiseren van de spijzen in die theaters. Dat moet zwaar zijn.

Er is in ontelbare theaterrestaurants veel gegeten en gedronken voor en na de uitvoering van het oude toneelstuk. En er wordt overal veel geld aan verdiend. Wat zult u daaronder lijden.

Ik wil dat iedereen het stuk gaat zien en ik wil mijn vrienden beschermen tegen de commotie. Gaarne verneem ik dus van u de spijswetten ten aanzien van de consumpties in Theater Amsterdam. U moet weten: er zullen toeschouwers uit het hele land komen. Ze zijn lang onderweg en hebben honger als ze arriveren.

Mijn vraag aan u is: mogen ze iets eten bij aankomst in het theater? Of adviseert u de toeschouwers thuis te eten? En wat mogen ze thuis dan eten? Vast geen kreeft of kaviaar, maar liever iets in lijn met het voedsel dat Anne in haar dagboek beschrijft?

Heeft u ook drankadviezen? Of heeft u liever dat de bezoekers in het geheel niet eten en drinken voorafgaand aan de voorstelling?

En als er wel mag worden gegeten in Theater Amsterdam: mag in het theaterrestaurant hetzelfde worden geserveerd als in het restaurant van uw Anne Frank Huis? Dus wel pistoletjes met beleg, salades, appeltaart en dergelijke, of gaat dat ook te ver?

En wat is ethisch gezien het verschil tussen een broodje gezond in het restaurant van het Anne Frank Huis en een gebakken visje in het restaurant van Theater Amsterdam? Ik hoor dat graag, want u heeft er kennelijk goed over nagedacht.

Ik kan me voorstellen dat er toeschouwers zijn die in de pauze al toe zijn aan een glaasje jenever of wodka, want het stuk is bepaald geen komedie, zo heb ik vernomen.

En mag na afloop een glas alcohol worden gedronken? Geen champagne denk ik – hoewel champagne toch gewoon witte wijn met bubbels is. En wat te doen met mensen die al in de pauze problemen hebben met hun bloedspiegel, zoals diabetici?

U merkt het: vragen vragen vragen.

Mijn vrienden willen geen problemen met u. Anne Frank verdient een mooi nieuw toneelstuk, en als u vindt dat daarbij niet alles mag worden gegeten – ik neem aan dat u zelf nooit in uw eigen restaurant eet en zelfs de lunch overslaat uit piëteit voor wat zich in het huis heeft afgespeeld – dan volgen zij graag uw richtlijnen, al zal dat moeite kosten.

Ik heb vaak met mijn vrienden aan de dis gezeten en ik weet dat bij Joden rouwen en lekker eten naadloos in elkaar overgaan. Joden zijn in culinaire zin geen calvinisten.

Ik heb het nare gevoel dat u in Anne een calvinistische heilige ziet waar de familie Frank met hun vieze vingers vanaf moeten blijven. U bent tegen ‘commercialisering’ en tegen ‘borrelarrangementen’ – alsof dat niet al tientallen jaren gebeurt en alsof dat niet ook de basis vormt van uw bedrijf.

U runt een seculiere kerk. Mijn vrienden hebben een toneelstuk geschreven over een Joods meisje dat dol was op showbusiness. En nu bent u, als een zuur kerkvadertje, stennis aan het maken.

Mag ik een menuvoorstel doen aan de exploitanten van het theater? Wat de Joden in hun gedenktempels serveren, mag ook worden gegeten in Theater Amsterdam, lijkt mij. Ik stel daarom voor om een mix te maken van het aanbod van het restaurant van uw Anne Frank Huis en van de restaurants van Yad Vashem in Jeruzalem, het New Yorkse Holocaust Museum en het Amsterdamse Joods Historisch Museum.

Meneer Leopold: hoe luiden uw spijswetten? Ik hoor graag van u.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.