Gertjan van Schoonhoven

Wijn, dat kan nooit geen kwaad

Door Gertjan van Schoonhoven - 15 november 2014

In de wijnblogs die Elsevier-redacteuren de afgelopen week op deze plek hebben gepubliceerd – er volgen er nog meer – wordt één vraag een beetje gemeden. De vraag: hoevéél?

Het taboe op de vraag wat iemand verdient, is in Nederland wel weg. Maar over de vraag hoeveel wijn iemand precies drinkt, zo leert de ervaring, wordt nog steeds tamelijk geheimzinnig gedaan. Je hoort nooit iemand zeggen dat-ie dagelijks zonder problemen een fles naar binnenklokt, en in het weekeinde met enige regelmaat twee flessen.

Taboe geschonden

Dit taboe is wel eens geschonden, in de Nederlandse literatuur onder meer door Gerard Reve, die wel meer taboes doorbrak. Zijn misschien wel mooiste boek, Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard, is een tweepersoons drankgelag waarin na de vaststelling dat de Nederlander gemiddeld twee liter wijn per jaar consumeert (‘Je vraagt je af waar ze het laten’) sans gene de ene fles na de andere wordt geopend. Na een paar pagina’s ben je als lezer de tel al kwijt.

‘Wijn, dat kan nooit geen kwaad.’

De novelle bevat onder meer de volgende onsterfelijke zin: ‘We dronken met de geveinsde onwennigheid van geschoolde happers.’  Een fraaie omschrijving van de quasi-onwennige, aftastende manier waarop, inderdaad, geoefende wijndrinkers aan hun eerste glas van de dag plegen te beginnen. Alsof het de eerste van hun leven is.

Reve mag dan het taboe op homosexualiteit, schrijven om rijk te worden, bekering tot het katholicisme en onaardige opmerkingen over landgenoten van buitenlandse herkomst hebben doorbroken, het taboe op openlijk laten weten dat je graag dagelijks onmatig drinkt, heeft hij niet kunnen opheffen. Vertoon van matigheid – controle hebben over in principe ongezonde gewoontes – is sociaal verplichter dan ooit.

Maar wat is matig? Hoeveel is te veel?

Deze vraag is nog niet zo heel simpel te beantwoorden. Er zijn namelijk nogal wat verschillende scholen in. De populairste is ongetwijfeld die van ‘maximaal twee glazen per dag’. ‘Bij het eten’, komt er dan meestal achteraan. Deze groep ‘geschoolde happers’  drinkt elke dag, maar heeft zichzelf onder controle. Na twee glazen gaat de vacuvinkurk op de fles, om de wijn goed te houden tot de volgende dag, waarna er weer twee glazen uit worden geschonken. Dit vertoon van matigheid en controle gaat soms gepaard met de mededeling dat hij of zo soms ook een alcoholloze periode inlast, van een week of zo. Dit om te laten zien dat je weliswaar elke dag drinkt, maar dat je het onder controle hebt. Je zou ‘zo weer kunnen stoppen’.

Tegenover deze school staat de meer Reviaans georienteerde ‘Broeva! Haro!’-school waartoe ook Elsevier-wijnschrijver Nicolaas Klei mag worden gerekend. De school hecht, kort gezegd, meer waarde aan wàt je drinkt dan aan hoevéél je drinkt. ‘Goede wijn, dat kan nooit geen kwaad’ – die school.

De wetenschap geeft geen uitsluitsel welke school de beste is. Over het algemeen krijg je in gezondheidsgidsen het advies om het te laten bij maximaal twee glazen per dag – een advies dat goed aansluit bij de populaire matigheidsschool. Maar eerder dit jaar werd dit advies ruw gerelativeerd in Elsevier, door wetenschapsredacteur Simon Rozendaal, die een Finse onderzoeker had gevonden van de Wereldgezondheidsorganisatie die – hou je vast – DERTIEN glazen per dag de optimale hoeveelheid achtte.

Broeva! Haro!

Dat is geen wijn drinken meer, dat is een alcohoholkuur. Lastig, zulke uiteenlopende adviezen. Wellicht kan de uitspraak uitkomst bieden die ik eens hoorde op een wijnproeverij bij mijn favoriete Rotterdamse wijnhandel.

‘Je bent pas alcoholist als je meer drinkt dan je huisarts.’ Ik heb geen reden om aan het waarheidsgehalte ervan te twijfelen: het was een huisarts die het zei.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.