Simon Rozendaal

Een nieuwe generatie houdt herinnering aan oorlog levend

Door Simon Rozendaal - 30 april 2015

Een nieuwe generatie maakt zich op om de herinnering aan de oorlog levend te houden. We staan aan het begin van ‘de vierde Tweede Wereldoorlog’.

Er zijn verschillende Tweede Wereldoorlogen. De tweede duurde van 1945 tot ongeveer 1960 en werd gekenmerkt door een oorverdovende stilte. Ja, er was het dagboek van Anne Frank en dat was een ongekend succes, maar verder zweeg bijna iedereen die de oorlog had overleefd. Het land lag in puin en de herinneringen waren te pijnlijk.

In de jaren zestig veranderde alles en dus ook de kijk op de oorlog. De wederopbouw was geslaagd en ineens kon er wel worden gepraat. Dr. Loe de Jong brak de ban met de televisieserie De Bezetting. Er was nog maar één zender, gans het land zat ervoor en zag dat het wel degelijk mogelijk was om over de oorlog te praten.

De eerste generatie oorlogsboeken kwam van mensen die de oorlog hadden meegemaakt. Loe de Jong, Jacques Presser en andere historici, romanschrijvers als W.F. Hermans, journalisten als Mathieu Smedts. En in het buitenland Günter Grass, Primo Levi, Kurt Vonnegut, Leon Uris en vele anderen.

Overigens hadden zij minstens enkele jaren nodig om over de oorlog te kunnen schrijven. De enige uitzondering is Winston Churchill, die direct als een bezetene begon. De tranen der acacia’s – het eerste oorlogsboek van W.F. Hermans – verscheen in 1949, Die Blechtrommel – het eerste oorlogsboek van Günter Grass – pas in 1959 en de eerste uitzending van De Bezetting was in 1960.

Burgerdoden

Misschien bevat een oorlog te veel verhalen om die snel te kunnen boekstaven. Neem het bombardement van 14 mei 1940 op Rotterdam, misschien wel de belangrijkste gebeurtenis in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het duurde maar liefst 28 jaar voordat iemand die in kaart bracht.

De in 1939 in Rotterdam geboren Aad Wagenaar, die als scholier over de nog steeds kale vlakten in het hart van de stad fietste, kwam in 1968 als journalist van de Haagsche Courant op het even simpele als lumineuze idee om met een bandrecorder naar Duitsland af te reizen en te praten met de piloten van de Heinkels en Junkers en met generaal Kurt Student.

Het boek Rotterdam mei 1940 (1970) leverde prachtige nieuwe inzichten op. Bijvoorbeeld dat de verovering van Rotterdam grondig was geoefend op een plek in Duitsland waar snel met rubberen bootjes een rivier (de Nieuwe Maas) moest worden overgestoken. Uit het boek kwam ook naar voren dat veel Duitsers gemengde gevoelens hadden over het bombardement. En dat als garnizoenscommandant Pieter Wilhelmus Scharroo iets besluitvaardiger was geweest, de ruim achthonderd burgerdoden te voorkomen waren geweest.

In de jaren tachtig van de afgelopen eeuw transformeerde de Tweede Wereldoorlog opnieuw. Boven op de strijd tussen de Duitsers en de geallieerden kwam de massamoord op de Joden. Die had door het dagboek van Anne Frank al veel eerder bekend kunnen en moeten zijn, maar voor veel Nederlanders vormde de documentaire Shoah van de Fransman Claude Lanzmann uit 1985 een waterscheiding, twintig jaar na Pressers Ondergang.

De oorlog bleek toen ook veel gelaagder dan die heroïsche, maar ook ietwat saaie strijd tussen de bezetter en het verzet. Tussen zwart en wit hadden vele grijstinten gezeten, illustreerde de felle polemiek rond de memoires van de Jood Frederik Weinreb, die de deportatie van veel andere Joden tijdelijk wist uit te stellen, maar allesbehalve zuiver op de graat was geweest.

Rond die tijd werden de babyboomers wakker en ontdekten zij wat al duizenden jaren bekend was. Dat oorlog tegelijkertijd weerzinwekkend en fascinerend is. Dat een oorlog zingevend is als een verliefdheid of geboorte. Dat oorlog niet alleen het slechtste in mensen naar boven haalt, maar ook het beste.

Deels uit schuldgevoel dat ze de verhalen van hun ouders eerder niet serieus hadden genomen, schiep de naoorlogse generatie een niet-aflatende stroom van oorlogsboeken, het ene nog beter dan het andere. In deze periode, de derde Tweede Wereldoorlog, konden de ooggetuigen nog spreken en wilden hun kinderen eindelijk luisteren.

Geschiedschrijving

De generatie die na de oorlog is geboren, heeft aldus een bijzondere bijdrage geleverd aan de geschiedschrijving. Filmer Steven Spielberg liet in zijn Holocaust-project de Joodse overlevers aan het woord. Journalisten als Auke Kok en Ad van Liempt brachten het Nederlandse verzet en de dubbelspionnen in beeld.

Sytze van der Zee en Helmert Woudenberg verhaalden hoe het was om kind van een NSB’er te zijn. Historicus Chris van der Heijden (ook kind van iemand die fout was) maakte duidelijk dat 95 procent van de Nederlandse bevolking niet goed of fout was, maar iets daartussenin. Maarten van Buuren, kind van een verzetsstrijder, schreef over de minder frisse kanten van het verzet: roofovervallen, intimidatie, zelfrechting en verrijking.

Deze naoorlogse generatie had de oorlog dan wel net gemist, maar kende een optimale mix van distantie en betrokkenheid. Daardoor kon ook meer dan vroeger, zoals de Duitse tv-serie Unsere Mütter, Unsere Väter uit 2013 duidelijk maakte. Nu al leidde dit Duitse perspectief tot veel commotie, eerder was het ondenkbaar geweest dat de Nederlandse televisie de serie zou uitzenden.

Aan deze derde Tweede Wereldoorlog komt een eind. Niet omdat de naoorlogse generatie uitgeschreven, uitgefilmd, uitgelezen of uitgekeken zou zijn op de oorlog. Integendeel, de Tweede Wereldoorlog leeft als nooit tevoren. Maar er is nog maar een handjevol ooggetuigen in leven en hun geheugens zijn niet meer zo scherp.

In de boeken die de laatste jaren verschijnen, zoals De redding van de familie Van Cleeff (van Auke Kok en Dido Michielsen) en De vergelding van Jan Brokken, is het vaak de naoorlogse generatie die de naoorlogse generatie aan het woord laat over wat hun ouders is overkomen.

Eeuwige vlam

Boeken als Rotterdam mei 1940 kunnen bijvoorbeeld nooit meer worden gemaakt. De piloten die Rotterdam bombardeerden en hun leidinggevenden zijn dood en de mensen die nog over het bombardement kunnen vertellen, waren destijds kleine kinderen en weten dus lang niet alles.

We staan aan het begin van de vierde Tweede Wereldoorlog. Dat hoeft geen slechte periode te zijn. Per slot van rekening wordt er nog mooi geschreven over de Eerste Wereldoorlog (Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans). Zelfs de Tachtigjarige Oorlog wordt nog herdacht – op 1 april in Den Briel en op 3 oktober in Leiden.

Maar het wordt wel een andere periode. De interessante vraag wordt nu of de kleinkinderen van de mensen die de oorlog hebben meegemaakt, de eeuwige vlam brandend houden. De eerste tekenen zijn er. Zo heeft hersenwetenschapper Paul Verschure een 3D-app gemaakt van het concentratiekamp Bergen-Belsen, waar zijn opa – een verzetsstrijder – omkwam. Dat geeft hoop.

Elsevier nummer 17, 25 april 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.