Arendo Joustra

Instituut van staatshoofd moet kunnen rekenen op bescherming

Door Arendo Joustra - 12 mei 2015

Door verbod op majesteitsschennis af te schaffen, zou Koning net als gewone burgers zelf aanklacht moeten indienen. Maar hij is geen gewone burger.

Afgelopen week was er in de media commotie toen bleek dat een man vervolgd zou worden voor majesteitsschennis. De meeste commentatoren vonden dat overdreven en pleitten er bovendien voor majesteitsschennis uit het strafrecht te schrappen. Het zou niet meer bij deze tijd horen en ouderwets zijn.

De vervolgde man had iets geroepen dat hier niet zal worden herhaald, maar dat in Engels­talige landen, waar het begrip vandaan komt, nooit voluit in de media wordt geciteerd of uitgesproken. Dat zegt voldoende.

Uiteraard moet alles kunnen worden gezegd, ook (of juist) over de monarchie. Maar tegelijk is het vrij normaal dat iemand die ‘fascist’ roept tegen een politieagent, in de boeien wordt geslagen. Want die politieagent doet gewoon zijn werk. Je beledigt ‘de ambtenaar in functie’, het instituut.

Kwetsbaar

Iets dergelijks geldt bij het ­opzettelijk beledigen van de ­Koning. Niet zozeer de persoon Willem-Alexander wordt dan geschoffeerd, maar het staatshoofd. Of hij zich ook persoonlijk beledigd acht, doet er eigenlijk niet toe. Het instituut van staatshoofd – of het nu door een Koning of president wordt vervuld – moet, net als de politieagent, kunnen rekenen op enige bescherming.

Door het verbod op majesteitsschennis af te schaffen, zou Willem-Alexander net als gewone burgers zelf een aanklacht moeten indienen. Maar hij is geen gewone burger en bovendien maakt dat hem kwetsbaar voor reacties als ‘man, stel je niet aan’. Maar belangrijker is dat de monarchie ons instituut is, niet het zijne.

Wellicht ouderwets gedacht, maar daarom ook verkeerd?

Elsevier nummer 20, 16 mei 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.