Gerry van der List

Links heeft het positieve imago, rechts heeft het gelijk

Door Gerry van der List - 16 juli 2015

Het wordt ietsje minder, maar lang klonk de term ‘links’ heel positief. Hoe komen progressieven toch aan hun gunstige reputatie?

Niet alleen Labour, UKIP en de Liberal Democrats waren op 7 mei dit jaar de grote verliezers bij de verkiezingen in Groot-Brittannië. Het was ook een zwarte dag voor de opiniepeilers. Collectief hadden zij een nek-aan-nekrace voorspeld, maar de Conservatieven kwamen met zeer ruime voorsprong als winnaar uit de bus.

Vanzelfsprekend werd meteen uitgebreid gespeculeerd over de oorzaken van het dramatische falen van de opiniepeilers. Een van de geopperde verklaringen was de Shy Tory Factor. Bij opiniepeilingen zouden kiezers niet zo snel zeggen dat ze hun stem willen geven aan de Tories, de Conservatieven. Alsof ze zich een beetje schamen voor hun politieke sympathie.

Aantrekkelijke klank

Dit verschijnsel doet zich in bredere kring voor. Het vereist duidelijk durf om uit te komen voor rechtse voorkeuren. Zeker in intellectuele kringen is het van belang om de indruk te wekken progressief te zijn. Dit betekent: idealistisch, het hart op de juiste plaats, ruimdenkend.

Een boekje uit 1974 met columns van de gerenommeerde journalist Jan Blokker had dan ook als – enigszins ironische – titel Ben ik eigenlijk wel links genoeg?

Veelzeggend is verder het gedicht ‘Rechts, links’ van Cees Buddingh’: ‘Van mijn rechterlong/ werkt, sinds drieëndertig jaar,/ nog maar ongeveer een kwart./ Maar mijn linkerlong, hoorde ik laatst weer,/ is nog altijd puntgaaf./ Ach, ja: rechts is ook niks,/ van links moeten we ’t hebben.’

Door de aantrekkelijke klank van links is het lastig te erkennen dat de tegenpartij weleens op sommige, of zelfs tamelijk veel, punten gelijk zou kunnen hebben.

Toen HP/De Tijd-redacteur Thieu Vaessen ontdekte dat hij van een trouwe supporter van clubs als het Nicaragua Komitee, Novib en ­Milieudefensie was veranderd in een bewonderaar van politici als Frits Bolkestein en Pim Fortuyn, schreef hij in 2009 een artikel met als kop ‘Help ik ben rechts geworden’.

De coming-out kostte pijn en moeite, noteerde de politieke bekeerling. Nodig was de erkenning van persoonlijke naïviteit in het verleden, met een zekere vervreemding van oude vrienden als onvermijdelijk gevolg.

Zedelijke kwestie

De logica van rechts kan weldenkende mensen aanspreken, maar schijnt gevoelsmatig weerzin te wekken. De vraag naar de reden dringt zich op. Hoe komt links toch aan zo’n gunstig imago?

Goed beschouwd zijn links en rechts heel onduidelijke begrippen om een complex van uiteenlopende stromingen en denkbeelden aan te duiden. Conservatieven en liberalen bijvoorbeeld zijn in historisch-ideologisch opzicht tegenpolen.

SGP en VVD staan dan ook lijnrecht tegenover elkaar als het gaat om de rechten van homo’s en vrouwen, om abortus, euthanasie en andere zedelijke kwesties, om de doodstraf, om de rol van de overheid, om de waarde van individualisering. Toch worden beide groeperingen op de rechterzijde van het politieke spectrum gelokaliseerd.

Soms valt ook niet goed te begrijpen waarom een opinie een van beide etiketten krijgt opgeplakt. Voorstanders van kernenergie gaan voor rechts door.

Maar waarom eigenlijk? Voor critici van de islam geldt hetzelfde, terwijl juist progressieven zich altijd hebben ingezet voor een, door moslims allesbehalve bevorderde, emancipatie van homo’s en vrouwen, en voor het terugdringen van de maatschappelijke invloed van godsdienst.

Antithese

Soms lijkt het erop dat een mening al kan worden ge(dis)kwalificeerd omdat ze in een bepaald medium verschijnt. Toen een Elsevier-columnist zich recent uitsprak over de voordelen van gescheiden slaapkamers, vroeg iemand zich in een tweet af of apart slapen nu ook al rechts was.

Het complexe onderscheid tussen links en rechts gaat terug tot de tijd van de Franse Revolutie. In de Staten-Generaal zaten de voorstanders van het Ancien Régime rechts van de voorzitter en de tegenstanders links. De visie op de bestaande orde vormde de kern van de antithese.

Conservatieven verdedigden de status quo, liberalen drongen aan op verandering. De eerste groep was overtuigd van de waarde van de gemeenschap, de laatste was meer individualistisch. Later zou dit veranderen. Socialisten en communisten namen de plaats over van liberalen als belangrijkste vertegenwoordigers van links en zij waren uitgesproken collectivistisch.

De gehanteerde begrippen waren lange tijd vrij neutraal. Hoewel in sommige talen de behoudenden enigszins in het voordeel waren wat betreft de klank van de benaming van hun politieke richting. In het Engels bijvoorbeeld betekent ‘right’ zowel ‘rechts’ als ‘juist’.

En het Italiaanse woord voor links, ‘sinistra’, heeft, net als het Latijnse ‘sinister’, de connotatie van ‘onguur’. Maar dit veranderde allemaal zo’n halve eeuw geleden. Progressieve groeperingen bleken een meester in wat tegenwoordig framen heet.

Zij redeneerden, simpel gezegd, als volgt: hervormingen zijn per definitie goed, links is hervormingsgezind, dus links deugt. Omdat zij een dominante rol wisten te verwerven aan de universiteiten en in de media, slaagden ze erin de opponenten in de verdediging te dringen. Rechts kwam gelijk te staan aan bekrompen, egoïstisch, intellectueel lui.

Eerbiedwaardig

De beeldvorming strookte niet met de werkelijkheid. Rechtse politici als Ronald Reagan en Margaret Thatcher waren idealisten die van alles wilden veranderen. En rechtse denkers, van neoconservatieven als Irving Kristol tot libertariërs als Ayn Rand, toonden zich kritisch over de maatschappij.

Maar hun werk werd op universiteiten niet of nauwelijks behandeld. Zo kwam het dat iedereen graag ­progressief wilde overkomen. Zelfs het CDA, met zijn eerbiedwaardige conservatieve traditie, voelt zich beledigd als het rechts wordt genoemd.

De tijden zijn gelukkig iets veranderd. Linkse politiek, met het communisme als dieptepunt, bleek vaak tot narigheid te leiden, gewone burgers roeren zich steeds vaker via allerlei media en een invloedrijk weblog als GeenStijl heeft the loony left, het dwaze links, als favoriet doelwit.

Mede door Pim Fortuyn raakte de term ‘linkse kerk’ in zwang als frame voor de onverdraagzame progressieve intelligentsia.

Toch is die onverdraagzaamheid niet helemaal verdwenen. Als het modeduo Dolce & Gabbana of de Zweedse winnaar van het Eurovisie Songfestival het homohuwelijk kritiseren, worden op hoge toon verontschuldigingen geëist. Terwijl de opvatting dat kinderen beter door een heteroseksueel paar kunnen worden opgevoed, best serieus mag worden genomen.

En de Volkskrant omschreef Hans Jansen na zijn dood in mei dit jaar als een ‘nar’. De arabist was bijzonder erudiet en publiceerde vele boeken. Maar met zijn kritiek op de islam en zijn keuze voor de PVV was Jansen voor de krant van wijlen Jan Blokker blijkbaar niet links genoeg om waardig te worden uitgeluid.

Elsevier nummer 30, 25 juli 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.