Syp Wynia

De ‘stad’ is geen vervanger van de staat

Door Syp Wynia - 03 september 2015

Burgemeester Aboutaleb pleit voor netwerken van steden de dienst uitmaken, moet er meer geld en macht naar de steden. Een enkele kanttekening bij al deze urbane vooruitgangsdrift

Nederland is al eeuwen een relatief verstedelijkt land. Maar in de tweede helft van de vorige eeuw was verdere verstedelijking helemaal niet vanzelfsprekend meer.

Na de Tweede Wereldoorlog gold – geïnspireerd door futuristische en nogal totalitaire ideeën van voor die oorlog – de stad als een werkmachine, die omringd diende te worden door woonmachines.

Stadsbewoners moesten verhuizen naar woonoorden in nieuwe satellietsteden, nieuwe wijken bij kleine steden en anders naar ver van het stadscentrum gelegen, anonieme hoogbouw.

Immigranten

Grote steden hebben erg geleden onder die filosofie. Amsterdam verloor in de jaren zestig, zeventig en tachtig een derde van zijn inwoners, terwijl Purmerend, Lelystad, Almere en Hoofddorp groeiden. In de stad zelf vestigden zich immigranten van verre.

De nagestreefde ‘cityvorming’ ging gepaard met sloopplannen en doorbraken die vervolgens vaak niet doorgingen, maar wel leidden tot leegstand, speculatie en verloedering.

Die treurige fase lijkt helemaal voorbij. Sterker nog: ‘de stad’ is helemaal terug, de trek naar de stad is veel sterker dan de trek naar het platteland en de satellietsteden. En het zijn niet per se de kansarmen, maar juist ook de kansrijken die naar de stad willen.

Duurzaam

Al in de tweede helft van de jaren negentig werd er een nieuw zelfvertrouwen zichtbaar onder stadsbestuurders. Dat zelfvertrouwen steekt in versterkte mate de kop op nu de steden als overwinnaar uit de crisis tevoorschijn lijken te komen.

Dat geldt in de eerste plaats voor Amsterdam en Utrecht, in iets minder mate voor Rotterdam en Den Haag, en ook voor regio­nale metropolen als Groningen, Arnhem/Nijmegen en Eindhoven.

De Amerikaan Richard Florida werd, te beginnen na de eeuwwisseling in Amsterdam, omarmd als de profeet van de grote, creatieve, ondernemende stad, die zowel bruisend als duurzaam zou zijn en zelfs de oplossing zou kunnen vormen voor tal van wereldproblemen, of het nou gaat over klimaat, voedsel of water. De filosofie van Florida echode ook door in de HJ Schoo-lezing van Elsevier, die de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb deze week in Amsterdam hield.

Optimisme

De Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan (ook PvdA) praat al enkele jaren over wat hij ziet als ‘een nieuwe gouden eeuw’ voor zijn stad, waarin een emulsie van creativiteit, ‘vrijzinnigheid’, ondernemerschap, duurzaamheid en veelkleurigheid voor vooruitgang en optimisme zorgt.

Zij het dat Van der Laan tegelijkertijd de risico’s vreest voor de bestaande inwoners, die kunnen worden overlopen door toeristen en kapitaalkrachtige Russen en Chinezen die de mooiste panden opkopen.

Wat Aboutaleb en Van der Laan delen, is dat ze de nationale staat vaak slechts als een hindermacht zien. Nu naar hun idee vaststaat dat de steden de toekomst zijn, moeten netwerken van steden de dienst uitmaken, moet er meer geld en macht naar de steden.

Voortrekkers

Een enkele kanttekening bij al deze urbane vooruitgangsdrift. Aboutaleb doet een beetje neerbuigend over de nationale politiek, die meer macht en geld uit handen zou moeten geven aan de steden. Feit is echter dat de democratische laag die nog op het grootste vertrouwen mag rekenen, de nationale democratie is.

Aboutaleb ergert zich er echter aan dat de steden in zijn idee als voortrekkers worden gehinderd door ‘ideologische strijd tussen politieke richtingen’ in Den Haag.

Dat mag zo zijn. De democratie heeft inderdaad zo haar beperkingen. Maar de democratie is – om met Churchill te spreken – wel het minst slechte dat we tot onze beschikking hebben. Die stelling zal ook de benoemde burgemeester van Rotterdam op waarde kunnen schatten.

Elsevier nummer 36, 5 september 2015

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.