Afshin Ellian Afshin Ellian

De wet is te vaag om propaganda voor IS en Al-Qa’ida aan te pakken

Door Afshin Ellian - 16 december 2015

De rechter in de zaak over de jihadronselaars begon zijn vonnis met een uitvoerige geloofsbelijdenis. Biedt de wet wel voldoende houvast om verheerlijking van terreurorganisaties te bestraffen?

Rechters zijn koppig. En dat is maar goed ook. Ze laten zich bij individuele zaken zelden beïnvloeden door de media. Sommigen worden wanhopig van de houding van rechters.

Die houding heet rechterlijke onafhankelijkheid. De rechter beoordeelt een geval uiteindelijk op basis van de wet en de feiten. De wet moet worden geïnterpreteerd, daarbij zijn rechters aangewezen op talloze rechtswetenschappelijke technieken.

De feiten moeten tijdens de zitting worden gepresenteerd. En dat gebeurt door twee partijen.

In de Context-zaak, over de jihadronselaars, wees de rechtbank een bijzonder vonnis. Het is extreem omvangrijk en gedetailleerd.

Rotte appels

Alle bewijsstukken werden uitvoerig behandeld. Ook bij bewijsuitsluiting motiveerde de rechter de redenen. Toch is er iets merkwaardigs aan de hand met dit vonnis.

In een gewone strafzaak zou de rechter zich niet willen verantwoorden tegenover de groep waaruit de verdachten afkomstig zijn. Zo zou de rechter zich in een zaak over belastingfraude nooit willen verantwoorden tegenover alle ondernemers, daarbij een lange inleiding gebruikend over hoe belangrijk en respectabel de rechten van ondernemers zijn. Strafrechters hebben altijd te maken met rotte appels.

Geloofsbelijdenis

De rechter in de jihadzaak deed het anders. De lange inleiding van het vonnis begint met een soort geloofsbelijdenis. Volgens de rechters hebben verdediging en verdachten beweerd dat dit proces de islam betreft en de gedachten worden vervolgd.

Daarom benadrukte de rechtbank dat het recht van eenieder op vrijheid van gedachte, geweten en geloof absoluut is. Wat mensen denken en geloven, kan niet strafbaar zijn, aldus de rechtbank. Uiterlijke gedragingen staan in een strafzaak centraal.

Vervolgens gaf de rechtbank een opsomming van niet-strafbare handelingen. Uit die uitzonderlijke inleiding:

i) het bijeenkomen om de Koran te bestuderen of zich te verdiepen in de islam of bepaalde richtingen binnen de islam, waar onder de salafistische;

ii) het doen van da’wah – da’wah is het uitnodigen tot de islam –, of dit nu gebeurt in besloten ruimtes, op straat of op het internet;

iii) het organiseren van en meedoen aan demonstraties, of daarin nu aandacht wordt gevraagd voor de positie van islamitische gedetineerden of geprotesteerd wordt tegen de onderdrukking van het Syrische volk door Assad, de vertoning van een film of tegen voorgenomen maatregelen betreffende het dragen van gezichtsbedekkende kleding;

iv) het inzamelen van geld of goederen voor humanitaire hulp aan de slachtoffers van het geweld in Syrië;

v) het ageren tegen de buitenlandse politiek van het Westen of Nederland, of dat nu gaat over Syrië of Israël en Palestina, en of dat nu gebeurt in klassieke media, op sociale media of middels demonstraties;

vi) het op dezelfde wijze ageren tegen de democratie als regeringsvorm en kritiek uiten op de wijze waarop daaraan in Nederland vorm wordt gegeven;

vii) het openlijk sympathiseren met de doelen en daden van terroristische organisaties, zoals IS en al-Qaeda, ook als dit gebeurt op tendentieuze websites.

Uitnodigen

Het is een bijzondere lijst handelingen die de rechters niet strafbaar achten, mits uiteraard op vreedzame wijze en met respect voor de rechten en vrijheden van anderen uitgevoerd.

Toen ik dit lijstje las, dacht ik bij mezelf: hier praat de rechter met de wetgever. Het is inderdaad niet aan de rechters om misdrijven te verzinnen. Dat is aan de politiek en niet aan de rechter.

Da’wah betekent letterlijk ‘uitnodigen’, maar in deze context betekent het: uitnodigen tot salafisme en jihadisme. Behoort dat niet tot de ronselpraktijken?

Hier neem ik slechts één punt uit het lijstje: het openlijk sympathiseren met de doelen en daden van terroristische organisaties, zoals IS en Al-Qa’ida, ook als dit gebeurt op tendentieuze websites is niet strafbaar. Daar krijgen velen buikpijn van.

Signaal

Het werkwoord ‘sympathiseren’ is te ruim en te vaag om hier een basis te vormen voor een delict. Maar wie de doelen en daden van terroristische organisaties als IS of Al-Qa’ida propageert en verspreidt, begaat naar mijn mening wel een strafbaar feit: het oproepen tot het plegen van (terroristische) misdrijven.

Opruien met terroristisch oogmerk is al strafbaar. Waarom zegt de rechter desondanks dat dat niet zo is? De rechter geeft een signaal dat de wet nog preciezer moet worden geformuleerd om dit soort gevallen te kunnen dekken.

Vaag

Wellicht moeten een of meer begrippen worden toegevoegd aan artikel 131 Wetboek van Strafrecht (Opruien) waarmee duidelijk wordt dat het systematisch verspreiden en propageren van doelen en daden van terroristische organisaties strafbaar is.

Het CDA wilde het verheerlijken van terreurdaden strafbaar stellen. Dat is te ruim en te vaag. Het verspreiden en propageren van de doelen en daden van terroristische organisaties biedt een duidelijk kader voor vervolging en bestraffing van terreurverdachten.

Propaganda van doelen en daden van terroristische organisaties moet strafbaar zijn. Dat is immers een kernactiviteit van jihadronselaars.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.