Syp Wynia

Waar staan onze partijen eigenlijk voor?

Door Syp Wynia - 02 maart 2017

Er is best veel keus, op 15 maart. Maar waar staan die partijen eigenlijk voor? Dat is nog niet zo simpel, schrijft Syp Wynia. Liberalisme is zo’n beetje vervangen door optimisme. En waar is het socialisme eigenlijk gebleven? Alle kansrijke partijen op de ideologische snijtafel.

Nooit eerder zweefde Nederland zo lang door, richting verkiezingen. Het heeft er alle schijn van dat miljoenen kiezers pas op de dag zelf, of pas in het hokje hun keus gaan maken. Dat komt omdat veel burgers van Nederland het verschil tussen partijen nauwelijks meer zien, teleurgesteld zijn in hun vorige keus maar geen vertrouwen hebben in de alternatieven. En, heel belangrijk: niemand weet meer waar partijen eigenlijk voor staan.

Vroeger was het makkelijker. Je had een partij voor arbeiders, je had partijen voor de verschillende christelijke gelovigen en je had een partij voor ondernemers en notabelen. Dat waren achtereenvolgens de sociaal-democraten, de chistendemocraten en de liberalen. Allemaal hadden ze wel wat afsplitsingen of radicale varianten, maar daar ging het zo’n beetje om. Maar in 2017?

Alle kansrijke partijen op een rij

We lopen daarom alle kansrijke partijen langs, van groot naar klein, aan de hand van de Peilingwijzer van 1 maart 2017.

De VVD, Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, was een wat bezadigde liberale partij van nette mensen. Niet heel rechts, vaak zelfs een beetje links. Het was een fusie van conservatieve liberalen en van vrijzinnig-democraten (een soort D66’ers) die zich enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog teleurgesteld afkeerden van de PvdA die ze mede hadden opgericht.

In de jaren zeventig werd de VVD voor het eerst, door toedoen van Hans Wiegel, ook een volkspartij. Sindsdien hobbelt de VVD een beetje van links naar rechts naar kleurloos en van vrolijk naar boos. Links onder Joris Voorhoeve (nu D66), rechts onder Frits Bolkestein, links onder Hans Dijkstal en nu van alles wat maar vooral vrolijk onder Mark Rutte.

Rutte wilde de VVD eerst laten fuseren met D66, was na verkiezingsverlies plots rechts en likt nu, al nivellerend en lastenverhogend, al jaren zijn vingers af bij regeren met de PvdA. De VVD is een beetje een veel-regerende staatspartij geworden.

De Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders werd in 2006 opgericht als rechtse afsplitsing van de VVD, die een meer authentiek conservatief-liberale koers zou varen en daarbij bij uitstek zou letten op het tegengaan van immigratie, met een uitgesproken accent op de islam.

Sindsdien is de PVV echter steeds meer een partij geworden die zich richt op wat zijn kiezers blijken te willen. Dat heeft de PVV een stuk minder liberaal gemaakt, in de zin dat de partij van Wilders vóór een royale verzorgingsstaat is, die ook behouden kan blijven als er geen vreemde snuiters mee komen eten uit de Nederlandse staatsruif. In het verlengde daarvan koos de PVV er eerst voor om de gulden weer in te voeren en vervolgens om uit de hele EU te stappen. PVV’ers vinden ‘populisme’ niet meer per se een scheldwoord.

Het CDA regeerde altijd en waaide met veel winden mee. Tot het CDA in 1994 buitenspel kwam te staan en niet bleek te weten wat oppositievoeren was. Tactisch in het kielzog van Pim Fortuyn ontstond in 2001-2002 een nieuw CDA, dat van de gereformeerde Jan Peter Balkenende waarin de nieuwe ideologie van het CDA uit waarden en normen bleek te bestaan.

Dat ging goed, tot de verkiezingen van 2010, toen het CDA met Balkenende werd weggevaagd. Even leek het CDA onder de katholieke Maxime Verhagen een soort conservatief-christelijke partij (à la de CSU in Duitsland) te worden. In reactie werd de progressief-gereformeerde dominee Ruth Peetom partijvoorzitter.

Maar nu is de van huis uit hervormde Sybrand Buma, gelouterd in de oppositie, het boegbeeld van het CDA geworden, op zijn beurt op koers gehouden door Pieter Omtzigt, misschien wel de beste oppositionele parlementariër die het CDA ooit heeft gehad. Ondertussen is het CDA natuurlijk ook gewoon de middenpartij die het altijd was, met een extra accent op de traditie van corporatisme en middenveld. Maar wel wat scherper op zulke zaken als immigratie, islam en Europa.

D66 werd in Amsterdam opgericht door Brabantse post-katholieken die zich afkeerden van de Katholieke Volkspartij maar nog niet wisten of ze zich tot de VVD of de PvdA moesten bekeren. Ze kozen ervoor dat alles democratischer moest. De ideologie van D66, voor zover die bestond, slalomde in de volgende halve eeuw van pragmatisme langs links-liberaal, vrijzinnig, sociaal-liberaal naar het midden en weer wat naar links.

Al meanderend is er bij D66 altijd ook een constante: de eigen aanhang. Die varieert weliswaar sterk in omvang, maar kan eigenlijk altijd worden getypeerd als de naar progressiviteit tenderende bovenklasse. Een volkspartij zal D66 nooit worden, daar is D66 te weinig volks voor.

Zo laat het zich wellicht ook verklaren dat D66 zo opgewekt doet over immigratie, integratie en islam. D66’ers hebben daar weinig last van. Of zelfs voordeel, omdat laaggeschoold personeel er goedkoper van wordt.

En o ja, onder Alexander Pechtold is D66 misschien wel vooral de partij van het optimisme. Pechtold heeft in dat opzicht wel concurrentie van de VVD van Mark Rutte. Het tweede kabinet-Rutte is onder D66’ers dan ook populairder dan onder VVD’ers.

GroenLinks had de redding moeten zijn van de linksradicale communisten, progressieve christenen en pacifisten, maar werd vijf jaar geleden bijna hun graf. Onder Jesse Klaver is Groen Links in het kielzog van Femke Halsema weer de idealistische jongerenafdeling van D66: nog wat meer voor klimaat, diversiteit, kosmopolitisch en groen. Optimistisch is GroenLinks ook, net als Mark Rutte en Alexander Pechtold. Immigratie is bij GroenLinks een verrijking.

Volks is GroenLinks al lang niet meer, als het dat al ooit was. Twintig jaar geleden werd GroenLinks nog buiten regeringssamenwerking gehouden omdat GroenLinks tegen de euro was. Nu is GroenLinks zo mogelijk nog euro-enthousiaster dan D66.

De SP was maoïstisch, en nadien zo’n beetje de PvdA nadat de PvdA zichzelf niet meer was. De afgelopen jaren neigde de SP steeds meer naar GroenLinks, al zullen de gestaalde kaders van de SP dat zelf nooit toegeven. Het immigratiebeleid van de SP – royaal jegens asielzoekers uit Afrika en Azië, maar gekant tegen Oost-Europese arbeidsmigranten – wordt door de arbeideristische aanhang niet overal goed begrepen. Begrijpelijk.

De PvdA was bij uitstek de partij die pretendeerde de verzorgingsstaat met royale uitkeringen en beschermde banen te hebben opgebouwd en pretendeerde ook de beste waarborg te zijn voor het behoud van het sociale stelsel. Die reputatie staat al een kwart eeuw onder druk.

De afgelopen vier en een half jaar werd de pensioenleeftijd verder verhoogd, verzorgingshuizen gesloten, de werkloosheidsuitkering verkort en lange tijd stonden lonen en uitkeringen onder druk. De vorige partijleider, Diederik Samsom, heeft deze ‘decollectivisering’ met verve verdedigd.

Dat PvdA-kiezers daar weinig begrip voor opbrengen is niet helemaal onbegrijpelijk. Samsoms opvolger, Lodewijk Asscher, profileert zich kort voor de verkiezingen als eurosceptischer en scherper op asielbeleid. Zo’n populistische koerscorrectie kort voor de verkiezingen overtuigt zelden.

De ChristenUnie was een soort conservatief-protestantse afsplitsing van het CDA en is geëvolueerd tot een progressief-christelijke partij, in ieder geval als het gaat om sociaal-economische onderwerpen en asielmigratie. De SGP bewaakt nu nog in haar eentje de conservatief-christelijke poorten.

In Nederland zijn we gewend geraakt aan de Partij voor de Dieren, maar het blijft natuurlijk een merkwaardige one-issue-partij. In de praktijk fungeert de PvdD als een electorale vluchtheuvel voor GroenLinksers, D66’ers en een enkele VVD’er.

Denk is naar verwachting de eerste etnische partij die het Nederlandse parlement gaat betreden. In het ergste geval regeert de autocratische president Recep Tayyip Erdogan via Denk een beetje mee in Nederland. Hoog tijd om de dubbele nationaliteit voor parlementariërs en bewindslieden te verbieden.

Van de andere nieuwe partijen lijken alleen Forum voor Democratie (Thierry Baudet) en Voor Nederland (VNL, Jan Roos) een kans te maken. Baudet legt erg de nadruk op versterking van de democratie, en profileert zich zo als een rechtse variant van het vroege D66. Verder lijkt het programma veel op dat van het conservatief-liberale VNL. Beide partijen zijn, ideologisch gesproken, een beetje de partij die Geert Wilders tien jaar geleden voor ogen had, voordat Wilders zich tot het populisme bekende.

Er is best veel keus. Maar aan alles en iedereen kleeft dus wel een nadeel: te links, te rechts, te elitair, te klein, te wild, te onbetrouwbaar, te regentesk. Zo zweeft Nederland vrolijk verder, richting 15 maart.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.