Syp Wynia

Herdenken op 4 mei heeft geen actualiteit nodig

Door Syp Wynia - 04 mei 2017

Al tientallen jaren wordt er gemorreld aan de Dodenherdenking op de avond van 4 mei. Dat is nergens voor nodig. De Dodenherdenking staat als een huis. Het is alleen zaak meelifters en geschiedeniskapers uit de buurt te houden.

Er gaat geen jaar voorbij, of er zijn wel initiatieven om de Dodenherdenking op de avond van de 4 mei een ander accent te geven, te verbreden, te actualiseren of te politiseren. Dit jaar is het vooral de losgeslagen dominee Rikko Voorberg, die met een actie met drieduizend papieren kruisjes meelift met de nationale herdenking.

Voorberg vindt dat in de Middellandse Zee verdronken migranten (dan wel ‘vluchtelingen’) niet alleen op één lijn moeten worden gesteld met slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, maar dat hun dood ook nog eens de schuld is van Europese landen. Het is die schuld die hij er ter gelegenheid van 4 mei wil inwrijven.

Er zijn door de jaren heen veel meer meelifters. En zelfs het organiserende Nationaal Comité maakt zich schuldig aan nodeloze merkverbreding, thema-expansie en onnodige en schadelijke actualisering.

Hoge status van slachtofferschap

De meelifters worden vooral aangetrokken door de hoge status van slachtofferschap van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en dan met name die van de door de nazi’s aangerichte industriële massamoord op de Europese Joden.

De herdenking van de (Nederlandse) slachtoffers van de Holocaust heeft overigens pas sinds het midden van de jaren zestig zo’n centrale rol gekregen. In de eerste vijftien jaar na de oorlog stond niet slachtofferschap, maar heldhaftig verzet tegen de Duitse bezetter centraal. Pas in de jaren zestig kwamen de publicaties, onder meer van dr Loe de Jong, die de algemene heldhaftigheid ondermijnden en meer aandacht gaven aan collaboratie en Jodenvervolging.

De ‘verbreding’ van de Dodenherdenking was al eerder ingezet, in 1961. Onder druk van de vele militairen (veelal dienstplichtig) die in de naoorlogse jaren in Nederlands-Indië waren ingezet en van wie er ook duizenden sneuvelden, werden de Nederlandse slachtoffers van die oorlog (‘politionele acties’) bij de Dodenherdenking betrokken.

Omdat in één moeite mee ook de Nederlandse doden van de Korea-oorlog (1950-1953) werden herdacht was in retrospectief het hek van de dam. Toen werd de basis gelegd voor de huidige, eigenlijk veel te brede begrip dat slachtoffers van alle oorlogen sinds 1939 op 4 mei bij de Nationale Herdenking (de ‘doden’ zijn onderweg verdwenen) worden herdacht. Slachtoffers van (militaire) vredesoperaties hebben daar weer een speciale rol in gekregen.

Tweezijdige druk

De herdenking op 4 mei staat enerzijds onder druk van meelifters en anderzijds onder druk van de angst om irrelevant te worden, draagvlak te verliezen en een vergeten oorlog te herdenken. Die tendensen versterken elkaar. Dan is er de afgelopen decennia ook nog eens de tendens om zowel de promotie van de multiculturele samenleving als de waarschuwing tegen (vermeend) extreemrechts er met de haren bij te halen.

Vooropgesteld: er is helemaal geen aanleiding om angstig te zijn voor het wegvallen van draagvlak of relevantie van een Nationale Herdenking die in de eerste plaats in verband wordt gebracht met de Nederlandse doden van de Tweede Wereldoorlog. De aandacht voor 4 mei verslapt helemaal niet. 4 mei is wellicht het meest bindende nationale evenement in het moderne Nederland.

Al die pogingen om (nazaten van) Duitsers erbij te betrekken, om actuele conflicten erbij te betrekken en geforceerde pogingen om allochtone jongeren mee te krijgen voor 4 mei – ze zijn overtrokken, onnodig en zelfs schadelijk voor de in wezen zeer succesvolle Nationale Herdenking.

Verstoorde herdenkingen

Het oprekken van 4 mei is niet bepaald van vandaag of gisteren. Koningin Beatrix, nog maar net staatshoofd, vond in 1980 al dat herdenken meer moest zijn dan ‘nostalgisch stilstaan bij het verleden’. De vorstin riep op dat actief gestreden moest worden tegen actuele onderdrukking, rassenwaan in het bijzonder. Premier Ruud Lubbers had het wat later over verzet tegen ‘de slavernij van de wapenwedloop’.

Een dieptepunt werd in het vorige decennium bereikt met het herschrijven van de oorlogsgeschiedenis, door die een multicultureel karakter te geven en zo een handreiking te doen aan ongeïnteresseerde, dan wel 4 mei-vijandige Marokkaanse jongeren. Op 4 mei 2003 werden alleen al in Amsterdam minstens vijf herdenkingen verstoord. De publiciteit daarover leidde tot een beduimelde correctie van de geschiedenis.

Hoofdrollen bij bevrijding van Nederland

De Amsterdamse burgemeester Job Cohen riep op tot ‘dialoog’. De toenmalige Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb trok 100.000 euro uit om Marokkaanse studenten ter zake bijles te laten geven op vmbo-scholen. Het multiculturele instituut Forum liet een publicatie samenstellen waarin een hoofdrol was toegekend aan Marokko, Turkije en Suriname en de Nederlandse Antillen bij de bevrijding van Nederland.

Turkije en Marokko heetten nu belangrijke doorvoerlanden voor Joodse vluchtelingen te zijn geweest, enkele tientallen Marokkanen in Franse dienst die in de eerste oorlogsdagen in Zeeland omkwamen heetten postuum ‘bevrijders’, in Suriname werd bauxiet voor vliegtuigaluminium geproduceerd en op Curaçao olie geraffineerd.

PvdA-staatssecretaris Jet Bussemaker heeft er in 2008 nog een lespakket over samengesteld, opdat zowel allochtoon slachtofferschap van de oorlog als de allochtone bijdrage aan de bevrijding van Nederland zijn gerechte plaats zou krijgen. Het was en is niet minder dan potsierlijk, deze pogingen om in reactie op antisemitische ordeverstoringen de Nederlandse oorlogsgeschiedenis zo te herschrijven dat die ook te behappen is voor jonge moslims en andere allochtone jongeren.

Juist omdat 4 mei zo’n breed geaccepteerd gehalte aan moraliteit en slachtofferschap combineert, is 4 mei en alles wat er mee samenhangt ook zo’n aantrekkelijk doelwit voor wie zich graag slachtofferschap en moraliteit toe-eigent. Rikko Voorberg is er zo één, maar bepaald niet de enige.

Door de jaren heen wordt 4 mei ook ingezet voor goed en fout in de politiek. De afgelopen maanden werd weer met enig succes de Tweede Wereldoorlog ingezet – er werd zelfs een manifestatie voor gehouden op het Haagse Malieveld – tegen de Amerikaanse verkiezingswinnaar Donald Trump en de Nederlandse politicus Geert Wilders.

Onterechte zorgen

Die kant moeten we niet op. Het goede aan 4 mei is dat er weliswaar veel onnodig aan is geplakt, maar dat deze Nationale Herdenking toch door vrijwel iedereen in de eerste plaats ervaren wordt als het collectief herinneren aan de Tweede Wereldoorlog, toen ook Nederland met honderdduizenden doden slachtoffer werd van een ongekende golf aan oorlogsgeweld en barbarij. Die oorlog heeft Nederland in belangrijke mate getekend en in zekere zin is de oorlogsverwerking ook nog niet voltooid.

Meer opinie, elke dag in je inbox? Meld je aan voor Elseviers nieuwsbrief >>

Zorgen over tanend ‘draagvlak’ die het gevolg zouden zijn van het uitsterven van overlevenden en andere slachtoffers en het op leeftijd komen van nabestaanden zijn tot dusver onterecht gebleken. De Nationale Herdenking heeft geen multiculturele verrijking, thematische uitbreiding en politieke getinte actualiseringen nodig om een reden van bestaan te hebben.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.