Eric Vrijsen

Met aftreden bewijst Hennis haar opvolger en defensie een dienst

Door Eric Vrijsen - 29 september 2017

Sergeant Henry Hoving (29) en korporaal Kevin Roggeveld (24) van de Luchtmobiele Brigade kwamen op 6 juli vorig jaar om het leven bij een mortieroefening in de woestijn van Mali. Een derde ‘rode baret’ raakte zwaar gewond door granaatscherven. Donderdag bracht de Onderzoeksraad Voor Veiligheid na diepgravende research een rapport uit. Dit ongeluk had niet hoeven gebeuren.

Het rapport geeft een indringend beeld van wat Elsevier Weekblad eerder noemde ‘het houtje-touwtje leger’. Na een kwart eeuw bezuinigen, vallen overal gaten in de organisatie. Vol plichtsbetrachting slaan militairen aan het improviseren. Intussen ontstaan onaanvaardbare risico’s.

Granaten in de open zon

De granaten waarmee het ongeluk gebeurde, lagen wekenlang opgeslagen in een metalen zeecontainer. Geen zonnescherm, geen boom, gewoon in de blakende zon. De temperatuur in deze munitieoven liep elke dag op tot 63 graden Celsius.

De fabriek in Bulgarije die de granaten tien jaar eerder in grote haast had geleverd vanwege de missie in Afghanistan, waarschuwde dat de explosieven niet bestand waren tegen temperaturen boven 50 graden. Maar de rode baretten in Mali wisten dat niet.

Er was wel eens gewaarschuwd voor explosiegevaar, maar die geluiden bleven steken in de militaire organisatie.

De oefening bestond uit een gecombineerde aanval van soldaten op quads en de mortiergroep. Een van de quads sloeg om. Een soldaat raakte gewond aan zijn enkel en moest naar het veldhospitaal. De oefening lag een uur en drie kwartier stil en al die tijd lagen de granaten te stoven in een open kist in de brandende zon. Toen de rode baretten de projectielen vastpakten om ze in de lanceerbuis te laten vallen, moeten ze hun vingers hebben gebrand.

Opeens ging het mis. Een mortier ontplofte vroegtijdig. De schutter en de lader waren onmiddellijk dood. De soldaat die de oefening filmde, raakte zwaar gewond.

Oppositie slijpt messen na onthutsend rapport

Op het Binnenhof in Den Haag stonden na het onthutsende rapport van donderdag meteen journalisten bij VVD-minister Jeanine Hennis (VVD) van Defensie: ‘Gaat u aftreden?’ De oppositie slijpt de messen. Volgende week debatteert het parlement.

Hennis zei donderdag – direct gesteund door VVD-premier Mark Rutte – dat ze ‘niet wil aftreden, maar optreden’. Dat was niet zo’n verstandige reactie. Hennis is natuurlijk niet persoonlijk schuldig aan dit tragische ongeval, maar draagt wel de staatsrechtelijke verantwoordelijkheid voor het falen van haar organisatie. Door af te treden, versterkt zij de positie van haar opvolger.

Dat is nodig om drie redenen.

De eerste is emotioneel. Twee jonge mannen stierven door de nalatigheid die in het leger is geslopen na de jarenlange bezuinigingen. Dan moet er iemand zijn die zegt: ‘Mij valt persoonlijk niks te verwijten maar in mijn functie past mij schaamte en ik ben hier aanspreekbaar.’ De Commandant der Strijdkrachten, generaal Tom Middendorp, zou dat kunnen doen, maar beter is het dat Hennis de consequentie trekt. Haar voorganger Benk Korthals (VVD) stapte in 2002 om minder op.

Ongeval staat niet op zichzelf

De tweede reden vloeit voort uit de zogenoemde zweepslagtheorie. Een minister die aftreedt – liefst aan het slot van een Kamerdebat – zendt een schokgolf door de organisatie. Dat is nodig bij defensie, omdat het mortierongeval niet op zichzelf staat.

Op 22 maart 2016 werd op een schietbaan in Ossendrecht per ongeluk een sergeant doodgeschoten. De Onderzoeksraad bracht ook dit ongeluk in verband met de versloffende veiligheidscultuur bij defensie.

In 2008 bracht de Onderzoeksraad rapport uit over een ongeluk bij het abseilen uit een helikopter tijdens de open dag van de landmacht in Wezep, waarbij een sergeant om het leven kwam. De toenmalige minister van Defensie werd dringend opgeroepen de veiligheidscultuur te verbeteren.

Ook de Algemene Rekenkamer waarschuwde herhaaldelijk voor gebrekkige administratie van de munitieopslag.

Denk aan de toekomst

De derde reden is toekomstgericht. In het nieuwe kabinet moet de minister van Defensie een sterkere positie hebben tegenover de premier en de andere bewindslieden dan Hennis sinds 2012 had. Als je duizenden militairen dagelijks met explosieve spullen laat oefenen en honderden militairen naar oorlogsgebieden stuurt, moet je ‘tot hier en niet verder’ kunnen roepen in de ministerraad. Blijft de minister na zo’n dringend rapport aan het pluche kleven, dan ontstaat het tegenovergestelde beeld dat er met iedere minister van Defensie te spotten valt. Dat mag niet. In plaats van ‘niet aftreden, maar optreden’ geldt nu ‘aftreden is optreden’.

De afgelopen dagen was er sprake van dat Hennis ook in het nieuwe kabinet zou terugkeren op Defensie. Na dit rapport lijkt dat uitgesloten. Behalve als ze zich fier verantwoordelijk stelt voor wat is misgegaan. Dan staat ze pal en dat maakt haar uiteindelijk sterker.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.