#Afshin Ellian

Straf voor Wilders: een geneesmiddel erger dan de kwaal

Door Afshin Ellian - 25 november 2016

Het laatste woord is nog niet gesproken in dé strafzaak van 2016. De rechter, en niet de verdachte, velt een vonnis en aldus spreekt de rechter letterlijk het laatste woord uit. Maar in de woordenstrijd tussen de aanklager en de aangeklaagde komt het laatste woord toe aan de aangeklaagde.

De verdachte zei: ‘spreek mij vrij, spreek ons vrij.’ Wat zei hij precies? Wat is de zin en betekenis van deze laatste woorden van de aangeklaagde Geert Wilders?

De verdachte zei in zijn laatste woord: ‘Ik heb alleen gesproken over Marokkanen op een markt en vragen gesteld op een verkiezingsavond. En iedereen die ook maar een millimeter verstand heeft van politiek weet dat verkiezingsavonden altijd bij iedere partij vergezeld gaan van politieke speeches vol slogans, oneliners en met maximaal gebruik van de regels van de retoriek. Dat is ons vak. Zo werkt dat nu eenmaal in de politiek.’

Ne bis in idem! Wilders is al veroordeeld voor wat hij zegt
Toch is niet helder waarom de verdachte vrijspraak eist. Ook dit is een ironisch werkwoord in een woordenstrijd: vrijspreken, terwijl het spreken zelf de oorzaak van de aanklacht is.

Hij geeft ons nog een hint om hem te begrijpen: ‘Vrijheid van meningsuiting is bovendien, leden van de rechtbank, voor mij persoonlijk de enige vrijheid die ik nog heb. Elke dag opnieuw word ik daaraan herinnerd.’

Inderdaad, inderdaad! De aangeklaagde is helemaal niet vrij. Hij is al ter dood veroordeeld: zie de dodenlijst van Al-Qa’ida. Daarom zegt de ter dood veroordeelde aangeklaagde: spreek mij vrij, omdat ik al ben veroordeeld voor wat ik zeg! De juristen noemen dit ne bis in idem, niemand mag twee keer voor hetzelfde feit of de feiten vervolgd worden.

Natuurlijk erkent Nederland het vonnis van jihadisten niet. Maar de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo toonde aan dat onze ontkenning van de jihadistische vonnissen wordt genegeerd.

Een blik op onze eigen rechtsgeschiedenis
Nu wij geen geldigheid en kracht van rede toekennen aan de jihadistische strafrechtspleging, moeten we ons verdiepen in onze eigen strafrechtsgeschiedenis.

De Fransen voerden in 1811 het Code Pénal in. Dit was het eerste complete wetboek van strafrecht van Nederland, in het Frans. Pas decennia later kwam een wetboek van eigen bodem tot stand. In 1870 richtte minister van Justitie Van Lilaar een staatscommissie op om het eerste eigen Wetboek van Strafrecht samen te stellen. De commissie bestond uit onder anderen J. de Wal, strafrechtshoogleraar te Leiden (voorzitter) en A.A. Pinto (afdeling wetgeving van ministerie van justitie).

Het wetsontwerp werd in 1879 naar de Kamer gestuurd. Indertijd was Modderman de minister van Justitie. Op 1 september 1886 werd het Wetboek van Strafrecht van kracht. Daarbij formuleerde Modderman het uitgangspunt van strafrecht dat tot heden als een dogma wordt beschouwd.

‘De strafbedreiging moet blijven een ultimum remedium’
Het uitgangspunt van de wetgever bij de strafbaarstelling van bepaalde gedragingen werd in deze krachtige en ondubbelzinnige bewoordingen geformuleerd:

‘Het beginsel is ten aanzien van het al of niet straffen van handelen of omissiën. Dat alleen datgene mag gestraft worden, wat in de eerste plaats onregt is. Dat is eene conditio sine qua non. In de tweede plaats komt de eisch er bij, dat het een onregt zij, waarvan de ervaring heeft geleerd, dat het (waarbij natuurlijk op den gegeven maatschappelijken toestand te letten is) door geen andere middelen behoorlijk is te bedwingen.’

‘De strafbedreiging moet blijven een ultimum remedium. Uit den aard der zaak zijn aan elke strafbedreiging bezwaren verbonden. Ieder verstandig mens kan dit ook zonder toelichting wel begrijpen. Dat wil niet zeggen, dat men de strafbaarstelling achterwege moet laten, maar wel, dat men steeds tegenover elkander moet wegen de voordeelen en de nadeelen van de strafbaarstelling en toezien dat niet de straf worde een geneesmiddel erger dan de kwaal.’

De woordenstrijd hoort in de Tweede Kamer, niet in de rechtbank
Dit uitgangspunt geldt ook en vooral voor de vervolging. Omdat ook de toepassing van strafrecht onderhevig is aan een afweging tussen de voordelen en nadelen ervan.

De founding fathers van strafrecht wisten het al: dat niet de straf worde een geneesmiddel erger dan de kwaal.

De woordenstrijd moet niet in de rechtbank maar in de Tweede Kamer worden gevoerd.

Het laatste woord: Spreek mij vrij, ik ben al immers ter dood veroordeeld voor dezelfde feiten, de belediging van de islam en moslims.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.