Geerten Waling

We worden doodgegooid met ‘-ismen’

Door Geerten Waling - 01 augustus 2017

Zelfs in komkommertijd draait het publieke debat overuren. Hoe minder nieuws er is, hoe verhitter de discussies op sociale media en de opiniepagina’s. Daarbij wordt te pas en (vooral) te onpas gestrooid met allerlei ‘ismen’, schrijft Geerten Waling.

Dat is handig, want we denken graag in categorieën en hokjes, maar toch mag een beoefenaar van het ‘columnisme’ daar best eens iets kritisch over schrijven.

Neoliberalisme

In politieke discussies is het bon ton af te geven op het ‘neoliberalisme’, een term die moet verwijzen naar een ongebreideld marktdenken door grootkapitalisten die zich niet bekommeren om de arme burger die het slachtoffer wordt van hun privatiseringen, handelsverdragen en marktliberalisatie. De kritiek op dit beleid snijdt hout, zeker als het is doorgeslagen, maar wie vallen er nu precies onder dat ‘neoliberalisme’?

Meer van Geerten Waling
De PvdA is gewoon niet zo snugger bezig

Er is niemand die trots op een feestje zegt: ‘Ik ben een neoliberaal en dus stem ik op Mark Rutte, want ik hoop dat hij allerlei laaggeschoolde baantjes weggeeft aan Polen en Roemenen.’ Of: ‘Ruud Lubbers en Wim Kok hebben mijn hart gestolen vanwege de privatisering van de PTT en de NS – tja, ik ben nu eenmaal een neoliberaal!’

Nee, dat ‘neoliberalisme’ is een etiket dat we graag plakken op beleid dat ons niet bevalt (of dat anders uitpakt dan we hadden gehoopt). Het is niet uitgesloten dat we per ongeluk een ware ‘neoliberaal’ tegenkomen, maar zonder duidelijke definitie blijft het een vaag-kritisch label zonder inhoud.

Populisme

Hetzelfde geldt voor het ‘populisme’. Het is natuurlijk niet ondenkbaar dat Wilders of Baudet zich binnenkort trots als ‘populist’ gaan identificeren, al was het maar als geuzennaam om de goegemeente te sarren. (Zo bestond er aan het einde van de negentiende eeuw in Amerika korte tijd de linkse ‘Populist Party’.) Maar ‘populist’ is en blijft vooral een scheldwoord, dat bedenkelijke motieven suggereert bij je tegenstander, zoals volksmennerij, simplisme en opportunisme.

Iemand ‘populisme’ aanwrijven, is daarom nogal een vertroebeling van het debat. Naar de vage, instinctieve definities is de retoriek van Alexander Pechtold vaak ‘populistisch’, net als die van Emile Roemer, en zelfs die van de brave Sybrand Buma en Kees van der Staaij. Als er geen zelfbenoemde populisten zijn, maar alleen tegenstanders op wie je dat label kunt plakken, dan is het een holle frase.

In het publieke debat betekent ‘populisme’ dus vrijwel niets meer, maar in het academische debat heeft het begrip wel een functie. Politicologen, zoals Jan-Werner Müller in zijn recente publieksboek Wat is populisme?, verbazen zich over de opkomst van partijen en politici die anti-establishment zijn en anti-pluralistisch. Ook dat debat blijft helaas niet verstoken van een zware normatieve, ideologische lading, maar de ontwikkelingen die worden bestudeerd onder de noemer ‘populisme’ zijn onmiskenbaar interessant. Wellicht hadden wetenschappers er alleen een ander woord voor moeten bedenken.

Islamisme

Een derde ‘isme’ dat hol is – want door anderen wordt opgeplakt – is het ‘islamisme’. Toch heeft dat wel een duidelijke functie. De gederadicaliseerde, nu seculiere, Britse moslim Maajid Nawaz gebruikt de term om gevaarlijke moslims te onderscheiden van gematigde geloofsgenoten. Islamisme is voor hem ‘een theocratische ideologie die bij wet enige versie van de islam aan een samenleving wil opleggen’. Hoewel zo’n ‘islamist’ zichzelf eerder zal kwalificeren als ‘goede moslim’, niet als aparte categorie binnen de islam, helpt het onderscheid om een militant deel van de gelovigen te onderscheiden, zonder de andere moslims van de samenleving te vervreemden. Ook het islamisme is een construct, maar vooruit, het moet maar.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.