Leo Lucassen

Waarom vergelijkingen met de jaren dertig wel degelijk zin hebben

Door Leo Lucassen - 08 november 2017

Afgelopen dinsdag publiceerde de Leidse historicus Geerten Waling een column op deze site waarin hij mij bekritiseerde naar aanleiding van een tweet waarin ik schreef dat de plannen van Geert Wilders en Flip Dewinter om de Brusselse wijk Molenbeek te bezoeken mij ‘ergens deden denken’ (ja, ik drukte me voorzichtig uit) aan de mars die de leider van de British Union of Fascists, Oswald Mosley hield op 4 oktober 1936 door East End Londen. Een (arme) wijk waar zich destijds veel joodse migranten uit Oost-Europa hadden gevestigd.

Dat Waling moeite heeft met vergelijkingen tussen het hedendaagse radicaal-rechtse populisme en politieke ontwikkelingen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, is zijn goed recht. Sterker nog, een open discussie over het nut van dit soort vergelijkingen is meer dan welkom. Ik ben dan ook blij voor de gelegenheid die hij mij biedt om in meer dan 140 tekens uit te leggen wat ik bedoel.

Zoals ik eerder in een door het Leidse Universiteitsblad Mare georganiseerd gesprek tussen mij en Paul Cliteur (december 2016) heb duidelijk gemaakt, betekent in de wetenschap vergelijken niet dat dingen hetzelfde zijn, maar is het een methode om overeenkomsten én verschillen systematisch in kaart te brengen.

Als ik dan naar de nu al vijftien jaar durende tirade van Geert Wilders tegen ‘de’ islam en ‘moslims’ kijk, dan valt moeilijk te ontkennen dat zowel Mosley als  Wilders een grote groep mensen louter op grond van hun godsdienstige overtuiging over een kam scheert en als ongewenst en gevaarlijk stigmatiseert. Dat in het geval van moslims een zeer kleine minderheid een terroristische weg is ingeslagen, is geen rechtvaardiging om de overgrote meerderheid die dat terrorisme net zo zeer verafschuwt, in het verdachtenbankje te plaatsen.

Wilders gebruikt apocalyptische beeldspraak

De joden vormden volgens Mosley ‘hordes door Moskou betaalde agenten’ die erop uit waren de Engelse samenleving te vernietigen. Wilders gebruikt een vergelijkbare apocalyptische beeldspraak. Dat maakt hem nog niet tot een fascist, maar net als bij Mosley is het ‘bezoek’ aan een wijk waarin de overgrote meerderheid van de inwoners het object van hun campagnes vormt, een doelbewuste politieke strategie om te provoceren en de eigen partij te profileren over de rug van een groep die toch al in de marge van de samenleving verkeert.

Anders dan Waling denk ik dat de jaren dertig een bijzonder interessante en leerzame periode vormen als we hedendaags populisme willen begrijpen. Daarmee zeg ik niet dat de geschiedenis zich herhaalt of dat de PVV een fascistische partij is, maar bepaalde uitsluitingsmechanismen vertonen wel degelijk opvallende overeenkomsten. Het is de taak van de historicus om die op te sporen.

Jammer van Walings onterechte verdachtmakingen

En dan nog dit. Geerten Waling is een goed historicus die interessante boeken heeft geschreven over de Nederlandse politieke cultuur. Het is daarom jammer dat hij een groot deel van de ruimte in zijn column gebuikt om mij op grond van ‘anonieme bronnen’ verdacht te maken als onderzoeksdirecteur van het Internationaal instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) en mij (en mijn collega Maurits Berger) dingen in de mond legt die wij nooit hebben gezegd, of denken. Bijvoorbeeld dat ‘de islam een godsdienst van vrede is’.

Het zou hem sieren als hij zich voortaan houdt aan de grondregels van het historische (en journalistieke) metier.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.