Afshin Ellian Afshin Ellian

Inperking van satire leidt het einde in van de vrijheid

Door Afshin Ellian - 09 mei 2016

De morele en politieke grens van de vrijheid van meningsuiting staat ter discussie. Wat strafrechtelijk is toegestaan, kan moreel of politiek onaanvaardbaar zijn. Maar wat zouden de maatstaven kunnen zijn bij een moreel oordeel over de toelaatbaarheid van een uiting? Mijn collega Paul Cliteur hield in de Volkskrant een overtuigend pleidooi voor satire.

Cliteur verwijst naar de Leidse historicus Geerten Waling, die de relatie tussen satire en de democratie aan de orde stelde. De verdraagzaamheid bij politici en andere machthebbers wordt juist door satire op de proef gesteld. Bovendien zien we parallellen tussen de opkomst van de democratie of de democratisering van een land, en de legalisering van satire. Cliteur komt terecht tot de conclusie dat satire en democratie innig zijn verbonden.

Naamloos-2Aan het Volk van NederlandDit beroemde pamflet uit 1781, door Joan Derk van der Capellen, is een scherpe aanklacht tegen de vriendjespolitiek van de regenten en bevat een pleidooi voor vrijheid van meningsuiting. Geerten Waling richt zich in zijn epiloog op de vraag hoe de kijk op het pamflet in de loop der eeuwen is veranderd. Meer info >

Schade

Na de Iraanse revolutie in 1979 werden in Iran enkele satirische kranten en tijdschriften opgericht. Binnen een jaar waren ze allemaal verboden. Dat was precies het moment dat ook aan de Iraanse democratisering een einde kwam. De redenen die de revolutionaire regering bij het verbieden van satirische media aanvoerde, zijn ook relevant voor de Europese debatten.

Wanneer de autoriteiten belachelijk worden gemaakt, zou het gezag afnemen, beweerde de Iraanse regering. Daarnaast werd ook als reden aangevoerd dat de maatschappelijke moraal door dit soort satire onherstelbare schade zou oplopen. De basiswaarden van Iran zouden namelijk worden ontheiligd, wat tot chaos zou kunnen leiden. Ook werd aangevoerd dat uitingen satire onfatsoenlijk zijn. De overheid is er immers ook om fatsoen en moraal te handhaven.

Cartoons

Voor zover ik me herinner, maakten de meeste journalisten en intellectuelen geen bezwaar tegen het verbieden van de satirische media. Ze leken allemaal op de redacteuren van een ‘Nederlandse kwaliteitskrant’. Het verbieden van satirische cartoons of teksten zagen ze niet als de eerste stap naar de totale inperking van de persvrijheid.

In de ogen van de kwaliteitsintellectuelen van Iran moest het gaan om serieuze zaken die op een serieuze wijze worden geanalyseerd. Maar eigenlijk zorgden juist de satirici voor een waarachtige analyse van de absolutistische machtsvorming binnen de revolutionaire Iraanse staat.

Volksbeweging

Toen de meeste Iraanse journalisten en intellectuelen werden opgepakt, was er geen vrije kritische geest die daartegen bezwaar kon maken. In de gevangenissen van de zonen van Allah begrepen ze dat het einde van de democratisering en het verbieden van satire hand in hand gingen. Het was te laat. Het proces van tirannisering was niet meer zomaar om te keren. Nu is het maken van grapjes over het regime van ayatollahs een wijdverbreide volksbeweging.

Terug naar ons continent. De vraag rijst of een satirische houding een brede beweging kan vormen tegen tirannie. Anders gezegd: mogen satirici satirisch spreken en schrijven over een tiran of een tirannieke traditie zoals een islamitische traditie of religieuze overtuiging.

Fatsoen

Ik vrees dat de meeste Nederlandse ‘kwaliteitsintellectuelen’ van mening zijn dat satirici het exclusieve recht op satire hebben. Anders worden in hun ogen de maatschappelijke moraal, de waarden en het fatsoen aangetast. Hier worden eigenlijk de argumenten gebruikt die ook door de ayatollahs worden gebruikt. Alleen worden die argumenten hier toegepast op niet-satirici die wel satire willen bedrijven. Het gaat mij hier niet om satire over individuen die niet tot een machtscentrum behoren; het gaat mij om de maatschappelijke debatten en vraagstukken.

Naamloos-4De geboortepapieren van NederlandDit boek bevat – in hedendaags Nederlands – de drie belangrijkste en misschien wel meest revolutionaire geschriften uit de Nederlandse geschiedenis.
Meer informatie >

De kwaliteitsintellectuelen hebben het dan over ‘niet tot op het bot beledigen’. De profeet Mohammed heeft ruim een miljard aanhangers plus een eigen jihadleger. Waarom zou Mohammed, zo’n machtige historische figuur met reële effecten in onze tijd, niet tot op het bot gekritiseerd en desnoods beledigd mogen worden? Dit mocht wel met het christendom. In de Volkskrant mocht wijlen Jan Blokker woorden als ‘christenhonden’ gebruiken. Dezelfde ethiek zou ook van toepassing moeten zijn op een gewelddadige religie als de islam.

Staatsgeheim

De Turkse president Recep Tayyip Erdogan vormt een interessant voorbeeld voor de morele grens van satire. Niet alleen satirici maar iedereen zou hem moeten bespotten. Hij is een bespottelijke tiran die recentelijk twee hoofdredacteuren tot vijf jaar gevangenisstraf liet veroordelen, omdat zij de authentieke beelden openbaar maakten van de warme banden tussen de jihadistische groepen in Syrië en de regering. Mag dat in een NAVO-land, een kandidaat EU-lid een staatsgeheim zijn?

Erdogans bende verdient het juist daarom om tot op het bot te worden beledigd. Ook wij betalen mee aan de Europese subsidies die Turkije krijgt. Daarom hebben we het recht, zelfs de plicht om de Turkse regering kritisch te volgen. Het beledigen van sultan Erdogan maakt deel uit van een maatschappelijk verzet in Turkije en Europa tegen de tirannie. Daarvoor hebben we geen toestemming nodig van onze regering of van de kwaliteitsintellectuelen.

Het recht op satire komt allen toe in de strijd tegen de tirannie.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.