Robbert de Witt

Eerste barsten in Xi Jinpings prestigeproject

Door Robbert de Witt - 01 november 2018

Westerse bewondering voor en afgunst om het Belt and Road Initiative van Xi Jinping is niet helemaal terecht: in steeds meer Chinese partnerlanden groeit de weerstand tegen de donkere kanten van zijn kolossale investeringsplan.

Het leek een geschenk uit het hemelrijk. De Chinese leider Xi Jinping lanceerde inmiddels vijf jaar geleden het Belt and Road Initiative (BRI), dat toen nog One Belt, One Road heette. Het grootste economische ontwikkelingsproject op aarde, dat honderden miljarden euro’s omvat en zorgt voor de aanleg van infrastructuur in tientallen landen.

Robbert de Witt

Robbert de Witt (1978) is chef van de redactie Buitenland bij Elsevier Weekblad. Hij blogt wekelijks op donderdag over mondiale ontwikkelingen en de gevolgen ervan voor Nederland en Europa.

Landen die dat zelf vaak niet kunnen financieren, maar de infrastructuur wel nodig hebben om zichzelf economisch verder te ontwikkelen. Denk aan snelwegen, bruggen, spoorlijnen, havens, dammen. En misschien wel het meest verleidelijke aan Xi’s plan is: no strings attached. Ofwel: geen lastige voorwaarden over eerlijke aanbesteding, transparantie, respect voor arbeiders en milieu. Eigenlijk al die zaken waarop westerse geldverstrekkers de nadruk leggen.

Geen wonder dus dat landen stonden te dringen om mee te doen aan Pekings glorieuze initiatief. Eind 2016 wilden wereldwijd zeker honderd landen meedoen.

Westerse landen vrezen – terecht – verdringing

Natuurlijk handelen de Chinezen niet uit naastenliefde. Toen de onstuimige Chinese economische groei enkele jaren geleden wat begon af te koelen (maar nog altijd zo’n 6 tot 6,5 procent per jaar bedraagt) zocht Peking naar manieren om de enorme reserves aan buitenlandse valuta nuttig in te zetten. Chinese (bouw)bedrijven konden in het buitenland aan de slag om de teruggevallen binnenlandse vraag te compenseren. En, zo was de hoop, het zou Peking soft power opleveren: de invloed in het buitenland vergroten en het land sympathieker maken.

Europa en de Verenigde Staten schrikken van die Chinese bouw- en investeringsdrift. Ze vrezen – terecht – verdringing van de vooraanstaande positie die westerse landen in het buitenland hadden, vooral in de Europese oud-koloniën in Afrika. Maar wellicht is dat te vroeg gekniesd.

Gemopper over een Chinese invasie

Eerst werd in de Chinese partnerlanden voorzichtig gemopperd over de Chinese invasie en hoe weinig lokale bedrijven ervan profiteren. Want met het geld geleend van China moeten Chinese bedrijven worden betaald – van vrije aanbesteding is amper sprake. En het werk wordt uitgevoerd door ingevlogen Chinese arbeiders. Maar goed, het levert wel, en in hoog tempo bovendien, fraaie snelwegen, havens en spoorlijnen op.

De afgelopen maanden verschijnen echter steeds meer barsten in Xi’s megalomane investeringsdrift. Volgens een rapport van consultancybureau RWR Advisory Group in Washington zijn er inmiddels problemen rond 234 van de 1.674 BRI-projecten. Het gaat om publieke en politieke protesten, klachten over werkomstandigheden, ernstige vertragingen, corruptie en milieukwesties.

Het gevaar van een enorme schuldenlast

Grootste probleem is dat landen er langzaam achter komen dat ze de miljardenleningen vaak niet kunnen terugbetalen aan de Chinese investeringsfondsen. Zo keerden politici in Sri Lanka zich dit jaar tegen een enorm Chinees project, de aanleg van een nieuwe haven in Hambantota. Volgens persbureau Bloomberg bedraagt de jaarlijkse rente alleen al 11 miljard dollar. The New York Times berichtte dat de regering in hoofdstad Colombo, om de schuld af te kopen, het eigendom van de haven voor 99 jaar heeft overgedragen aan Peking – met 6.000 hectare land eromheen. Het leidde tot woede op het eiland en een politieke crisis.

Plots realiseren meer landen zich het gevaar van de enorme schuldenlast. In Maleisië trad in augustus een nieuwe regering aan. De nieuwe premier blies onmiddellijk twee ‘Belt and Road’-projecten af: een hogesnelheidslijn en twee oliepijpleidingen, in totaal ter waarde van 23 miljard dollar. De reden is dat de vorige regering zichzelf had verrijkt (Xi verklaarde in 2016 nog dat hij en de vorige premier, Najib Razak, ‘zo close als lippen en tanden’ waren). De projecten zijn bovendien veel te duur voor het land. Ook vrees voor ‘verchinesing’ speelt een rol.

Er zijn meer dwarsliggers:

  • Pakistan: het land verkeert in financiële problemen. Pakistan heeft naar schatting voor 62 miljard dollar geleend van China. Politici in Islamabad waarschuwen China dat ze Pakistan geld moeten blijven lenen, want anders kloppen de Pakistani aan bij het Internationaal Monetair Fonds en dan zullen de voorwaarden die China stelt aan leningen openbaar worden. Blijkbaar zijn die geheime voorwaarden bepaald niet gunstig, als ze er Peking mee kunnen bedreigen.
  • De Malediven: de vrees groeide dat de eilandenstaat te veel onder de invloed van Peking zou komen te staan. De nieuwe premier Muhammad Ibrahim Soleh belooft Chinese projecten, ter waarde van 1,3 miljard dollar, te ‘herevalueren’.
  • Kenia: de regering wil corruptie rond de Chinese aanleg van een spoorlijn tussen Mombasa en Nairobi aanpakken.
  • Montenegro: heeft groeiende zorgen over een te grote schuld aan China als gevolg van de aanleg van een – door sommigen overbodig geachte – snelweg naar Servië.
  • Birma: de geplande nieuwe haven wordt ‘teruggeschaald’ wegens te hoge schulden aan China.
  • Nepal: annuleerde de bouw van een dure dam.
  • Sierra Leone: de Chinezen bouwen er toch geen nieuwe luchthaven omdat de lokale regering zich zorgen maakt over een mogelijke schuldenlast.

Zeker, dit is maar een greep uit de honderden Chinese projecten wereldwijd. Maar de bewondering en afgunst waarmee sommige Europeanen en Amerikanen naar dit prestigeproject kijken, verdienen nuancering. Het is niet alles goud wat er blinkt.

 

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.