Geerten Waling

Populisten tegen regenten: een onverkwikkelijke strijd

Door Geerten Waling - 13 november 2018

Doordat regenteske bestuurders zijn losgezongen van het volk zijn populisten in opmars. De kloof tussen beide groepen wordt steeds groter en dat zet de rechtsstaat onder druk, ziet Geerten Waling.

Er is een groeiend probleem in de democratische rechtsstaat. De mensen die in democratie geloven, krijgen het steeds meer aan de stok met aanhangers van de rechtsstaat, en andersom. Daarbij gaat het om – zoals ze elkaar noemen – de populisten tegen de regenten. Straks worden democratie en rechtsstaat nog twee onverenigbare systemen. Terwijl ze juist van elkaar afhankelijk zijn.

Democratie draait om legitieme macht

Wilt u een referendum? Een gekozen burgemeester? Een kiesdrempel tegen de versplintering? Kan de Eerste Kamer weg? Of misschien de provincies? Meer zetels in de Tweede Kamer, of toch minder? Het zijn de aloude discussies waarin we steeds weer een beter antwoord proberen te geven op de vraag: wanneer vinden we gezag legitiem?

Geerten Waling

Geerten Waling is historicus en schrijver van o.a. de boeken Zetelroof (2017) en 1848 – Clubkoorts en revolutie (2016). Hij schrijft iedere dinsdag een blog voor Elsevier Weekblad.

Anders gezegd: wie ben jij – politicus, partij, bestuurder, magistraat ­– om over mij te regeren? Wie ben jij om mijn belastinggeld te innen, om wetten te maken die mij moeten beschermen of die mijn vrijheid inperken?

Het is een vraag die in Nederland al veel ouder is dan de democratie zelf. Al in de Middeleeuwen sloten landsheren verdragen met hun onderdanen, zodat duidelijk was welk gezag legitiem was en welk niet. Wie zich niet aan de afspraken hield, was een tiran en mocht worden ‘verlaten’, zoals de Spaanse koning Filips II aan den lijve ondervond met het Plakkaat van Verlating (1581).

Twee kampen gaan elkaar naar het leven staan

Tegenwoordig is eigenlijk iedereen – gemiddeld negen van de tien Nederlanders, volgens opinieonderzoek – het erover eens dat macht en bestuur vorm moeten krijgen in een ‘democratische rechtsstaat’. Hoe die eruitziet, daarover heeft iedereen zijn eigen opvattingen. Dat is helemaal niet erg: zolang er over de democratie wordt gepraat, is ze nog in leven. Maar veel zorgwekkender is dat zich nu twee kampen beginnen af te tekenen die elkaar naar het leven staan: de voorstanders van de democratie tegenover die van de rechtsstaat.

Lees ook de column van Gerry van der List

De participatieparadox: hoe inspraak ongelijkheid vergroot

De ‘democraten’ in dit debat zijn veelal idealisten, die geloven dat het bestaande bestel moet worden opgeschud en er meer directe inspraak moet zijn door de bevolking. Clubs als GeenPeil, Meer Democratie, Code Oranje en nog honderden anderen spannen zich in voor referenda, gekozen burgemeesters en andere vormen van ‘democratische vernieuwing’.

Andere democratie-aanhangers zijn eerder ‘afrekenaars’, Wilders en Baudet die via bijvoorbeeld referenda willen afrekenen met de bestaande orde en zelf macht willen vergaren. Ook dat is niet erg trouwens, zolang ze de rechtsstaat maar accepteren – en niet zoals een Erdogan of een Maduro de volksstem gebruiken om tegenstanders dwars te zitten en mensenrechten te schenden.

Elite vervreemdt van de onderkant van de samenleving

Aan de andere kant van het debat slaat een te grote liefde voor de rechtsstaat om in ‘demofobie’, angst voor inspraak van gewone burgers. Onbeteugeld zouden die weleens hele rare en gevaarlijke dingen kunnen doen, denken de meer regenteske bestuurders. En zijzelf weten toch veel beter wat goed is voor de mensen en voor het land?

Maar intussen zijn die hoogopgeleide, welvarende bestuurders hard aan het vervreemden van de grotere groep aan de onderkant van de samenleving, zo waarschuwde onlangs de Franse sociaal-geograaf Christophe Guilluy in dagblad Trouw: ‘Vroeger bracht de elite politici en intellectuelen voort die zich richtten tot het volk en spraken namens het volk. Maar adel verplicht niet meer. De band die nodig is voor een gezonde democratie is doorgesneden.’

Guilluy heeft het vooral over de sociaal-economische verdeeldheid in de samenleving, maar diezelfde verdeeldheid zie je ook in discussies over de macht. Onlangs nam Piet Hein Donner afscheid als vicevoorzitter van de Raad van State. In zijn carrière heeft hij zich stug verzet tegen de vrijheid van meningsuiting (zoals godslastering), stelde hij plompverloren dat het referendum een ondermijning is van onze democratie, en deze zomer nog sprak hij zich uit tegen een eventuele feestdag voor het Plakkaat van Verlating – omdat dit nationalistische, anti-EU-sentimenten zou aanwakkeren.

Gevaarlijke verdeeldheid

De demofobie à la Donner is overal zichtbaar in het openbaar bestuur in Nederland. Zulk wantrouwen wakkert op zijn beurt natuurlijk juist ressentiment aan bij burgers die merken dat hun oprechte zorgen, bezwaren of ideeën worden weggezet als dom en gevaarlijk. Het is een omdraaiing van het legitimiteitsvraagstuk: niet de onderdaan vraagt de machthebber ‘wie ben jij om…?’, maar de bestuurder vraagt de bestuurden wie zij wel niet denken dat ze zijn.

Lees ook deze vlijmscherpe column van Geerten Waling terug: Laten we maar ’66’ zeggen, die ‘D’ moet je verdienenAlexander Pechtold en Kees Verhoeven in de Tweede Kamer bij het referendumdebat

Democratie kan alleen bestaan onder de bescherming van een stevige rechtsstaat. Maar die rechtsstaat kan alleen legitiem zijn als hij de democratie vrij laat en haar uitkomsten accepteert. Die verhoudingen staan op scherp – en daar zouden de populisten én de regenten zich grote zorgen over moeten maken.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.