Bram Boxhoorn

Explosief mengsel: Duitsland en het INF-verdrag

Door Bram Boxhoorn - 08 februari 2019

In Duitsland heerst veel politiek ongemak over de INF-kwestie, schrijft Bram Boxhoorn. Tussen de coalitiepartijen SPD en CDU bestaan grote meningsverschillen over eigenlijk alles wat met nucleaire bewapening te maken heeft.

Het INF-verdrag (Intermediate-Range Nuclear Forces Treaty uit 1987) tussen de Verenigde Staten en Rusland houdt een verbod in op het ontwikkelen en het bezit van middellangeafstandsraketten. Het einde ervan hing al een tijdje in de lucht. Het was bekend dat de nieuwe Amerikaanse veiligheidsadviseur, John Bolton, geen groot liefhebber is van het verdrag – van heel weinig internationale wapenverdragen trouwens. Maar ver voor zijn aantreden was er vanuit de Verenigde Staten en de NAVO al kritiek op Rusland. Het sterke vermoeden bestond dat het land zich niets meer aantrok van de INF-verdragsbepalingen. De bewijzen stapelden zich op dat Rusland het verdrag al terzijde heeft geschoven.

Europa dreigt weer aan de zijlijn te belanden

Bram Boxhoorn

Bram Boxhoorn is historicus en directeur van de Atlantische Commissie. Hij is tevens gastdocent bij Webster University, Leiden. Boxhoorn schrijft wekelijks een blog voor Elsevier Weekblad over buitenlandse politieke kwesties.

Het INF-verdrag kan naar verwachting over zes maanden als geschiedenis worden beschouwd –  de tijdspanne die de Verenigde Staten Rusland hebben aangeboden om bij te draaien. Veel hoop daarop is er niet.

Daarmee dreigt een herhaling van zetten uit de jaren rond 1980 toen Europa in rep en roer was – vooral Duitsland en Nederland – over de plaatsing van middellangeafstandswapens, via het zogeheten ‘NAVO-dubbelbesluit’ (1979): de NAVO zou tot plaatsing van middellangeafstandsraketten overgaan als reactie op de plaatsing van Sovjet-wapensystemen (de SS-20). Tegelijk was er het westerse aanbod tot onderhandelen om de aantallen aan beide zijden te verminderen. Uiteindelijk zou uit deze precaire situatie het INF-verdrag tot stand komen.

Wederom dreigt Europa in deze kwestie, net als veertig jaar geleden, aan de zijlijn te belanden en weer het lijdend voorwerp te worden in een toekomstige wapenwedloop tussen Rusland en de Verenigde Staten. De Groningse historicus Frank Ankersmit pleitte daarom onlangs in de Volkskrant voor een Europees kernwapen, om niet langer afhankelijk te zijn van Amerikaanse nucleaire bescherming. Daarmee zou (ook) de Russische dreiging kunnen worden beantwoord.

Theoretisch is dit een interessante optie. Praktisch is het echter een bijkans onbegaanbare weg. Wat is de hoogte van de rekening voor een dergelijk Europees atoomprogramma? En wie gaat de rekening hiervoor betalen? Is daar wel steun voor, gezien de nu al lakse houding van Europese NAVO-landen tegenover de financiële bijdrage aan de NAVO? En wie zit er aan de Europese nucleaire knop?

Hypothetische vragen over een Europese kernmacht

Nu vertrouwt Europa – al zeventig jaar – op de Amerikaanse president, aangezien Europa onder de Amerikaanse atoomparaplu valt. Moet Europa op termijn misschien toe naar een Franse atoomparaplu voor de EU (wat doen we dan overigens met de NAVO-landen die geen EU-lid zijn?), of nog verdergaand: naar een Brusselse atoomknop? Zou dit de Europese veiligheidssituatie uiteindelijk verbeteren? Vooralsnog zijn dit hypothetische vragen over een Europese kernmacht, vergezeld van vergezichten waarvoor overigens tegenwoordig niet slechts verstokte Europese federalisten warmlopen.

In Duitsland heerst inmiddels veel politiek ongemak over de INF-kwestie. Tussen de coalitiepartijen SPD en CDU bestaan aanzienlijke meningsverschillen over eigenlijk alles wat met nucleaire bewapening te maken heeft. De Duitse regering moet net als Nederland binnenkort besluiten over het al dan niet voortzetten van de nucleaire taak van de Duitse luchtmacht (Tornado-jachtvliegtuigen). De animo hiervoor binnen de SPD is gering, om het zacht uit te drukken.

Als het aan de SPD ligt wordt de vraag of de Russische opstelling ‘symmetrisch’ moet worden beantwoord via plaatsing van westerse (NAVO-) raketten in Europa, ontkennend beantwoord. Heiko Maas (Buitenlandse Zaken) verklaarde in een recent interview in Der Spiegel dat dit het verkeerde antwoord zou zijn. Andere SPD-coryfeeën roepen al openlijk op tot een ‘nieuwe vredesbeweging’.

Staatsmanschap en solide ideëen

Op buitenlands gebied is het een en al multilateralisme wat de klok slaat. Zelfs als het overduidelijk is dat het daarvoor te laat is. Het laatste merkte Karsten Voigt, de ‘éminence grise’ van de SPD, droogjes op over de plannen van Heiko Maas, die een spoedige multilaterale conferentie over de INF-kwestie voorstelde.

Onvermijdelijk gaan bij deze ontwikkelingen de gedachten uit naar SPD-kanselier Helmut Schmidt (1974-1982), architect van het NAVO-dubbelbesluit. De ‘Macher’ Schmidt paarde solide ideeën (Europees Monetair Stelsel) aan praktisch staatsmanschap (‘Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen’). Deze twee eigenschappen zouden de SPD tegenwoordig weer goed van pas komen, maar ze zijn in de verste verte niet waar te nemen.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.