Hans van Tellingen

Praat Nederlands met me! (in winkels en horecagelegenheden)

Door Hans van Tellingen - 13 januari 2020

Praat Nederlands. Ook in de winkel en het café. En als je personeel echt nog geen Nederlands kan spreken? Laat dan die persoon zich welwillend opstellen, schrijft Hans van Tellingen.

Ik zit met mijn kantoor op de Herengracht. Amsterdam. Beschik over een mooie stijlkamer. Een prachtige zelfs. Ik ben dan ook een dolgelukkig man. Mijn bedrijf Strabo wordt uitstekend gerepresenteerd op zo’n plek. Al heeft de locatie soms ook wat nadelen. En daar heb ik in dit artikel al eens uitgebreid over verhaald.

Hans van Tellingen

Hans van Tellingen is geograaf en regioloog en is directeur/eigenaar van winkelcentrumonderzoeker Strabo bv. Hij is hoofdauteur van Waarom stenen winkels winnen.

 

Lees ook zijn eerdere blogs die hij schreef voor Elsevier Weekblad.

Bottom line (pardon my French): richt je als stad ook op de bewoners. En de werkenden. En richt je vooral op de kwaliteitstoeristen. Laat Amsterdam niet vervallen tot een pretpark voor zich misdragende hooligantypes. Straalbezopen. En apestoned.

Belangrijker dan mijn eigen werkplek is echter dat ik – samen met meer dan twintig mede-auteurs – boeken en artikelen schrijf over winkels. Horeca. En klantvriendelijkheid. Waarbij de conclusies luiden: ja, er is toekomst voor stenen winkels. En nee, webshops kunnen geen winst maken. Maar je moet wel je stinkende best doen. Als (stenen) retailer. Anders red je het alsnog niet.

Dit artikel over klantvriendelijkheid is dan ook bepalend voor wie ik ben. En vormt dan ook de basis voor een derde, nog te verschijnen boek. Dat de werktitel draagt: ‘Hoe wordt je winkel een winnaar?’ Waarbij wat voor winkels geldt, ook voor horecagelegenheden opgeld doet.

Veel artikelen van mij gaan dan ook over dit onderwerp. Waarbij het deelonderwerp ‘Praat Nederlands met me’, dat eigenlijk voor aanstaand najaar gepland stond, naar voren is gehaald. Waarvan akte in dit blog. Dit omdat ik gisteren een tweetje plaatste over dit onderwerp. En zowaar een twitterstorm heb ontketend. Het onderwerp leeft. En niet zo’n beetje ook. Er zijn eigenlijk maar twee opties. Je bent vóór. Of je bent tegen. Met overigens veel meer voorstanders. Al moet ik eerlijk toegeven dat Twitter niet een representatieve weergave van de Nederlandse bevolking is. Verre van dat zelfs.

Engels als voertaal in de Amsterdamse winkels en horeca

U hebt het vast al wel eens meegemaakt. Eenmalig. Of misschien wel veelvuldig. Als u bijvoorbeeld woont in Amsterdam. Of werkt. In 020. Net als ik. U wilt wat bestellen in de Amsterdamse horeca. Of u wilt schoenen kopen in een Amsterdamse winkel.

U zegt dan bijvoorbeeld: ‘Twee bier alstublieft’. Of: ‘Twee koffie’. Of: ‘Mag ik deze schoenen passen?’ Er volgt eventjes niets. Er is een ongemakkelijke stilte van 2 seconden. En de ober (of verkoopmedewerker) verordonneert u: ‘Repeat that in English.’ Nu zakt mijn spreekwoordelijke broek wel vaker af in mijn blogjes. Maar ik kan er opnieuw niets aan doen. Het gebeurt wederom. En al helemaal als de toon ‘dwingend’ is. Kom op. We zijn in Nederland.

Lees ook dit coververhaal terug: Wordt het Nederlands bedreigd?Elsevier weekblad cover editie 30 2019

Als ik twee (of drie, of vier, of acht) bier bestel, dan verstaat zo’n ober mij wel. Hetzelfde geldt voor koffie. Of wijn. Whisky. Cola. Of gin tonic (deze al helemaal). Zo’n ober kan op zijn minst betogen dat hij (of zij) zijn (of haar) best doet om Nederlands onder de knie te krijgen. Moeilijke taal? Ach, ja, best wel. Maar ‘horeca-Nederlands’ is niet zo moeilijk. En je hebt me al meteen mee als je je in elk geval je best doet als ober. En vriendelijk bent. En servicegericht. Maar dat valt in de praktijk vaak tegen. Jammer. Ik baal daar echt van.

Nu zult u zich afvragen wat u daarmee te maken hebt als u niet in Amsterdam woont of werkt. Die kans is heel groot. Maar het Engels rukt overal op. In elk geval in de studentensteden. Dus in Groningen. Eindhoven. Maastricht. Rotterdam. En nog een aantal. Want de meeste universiteiten geven tegenwoordig veel (of alle) colleges in het Engels. Zij doen alles om maar buitenlandse studenten te trekken. Nu is dat prima. Maar vervreemd je niet van je oorspronkelijke doelgroep. De Nederlanders dus. Je richten op je eigenlijke doelgroep is het ‘wezen en zijn’ van de marketing. Van het zakendoen. En ook van het onderwijs. In Enschede is de officiële voertaal nu zelfs Engels. Terwijl de officiële voertaal Nederlands dient te zijn. In mijn opinie althans.

Geen Nederlands willen of kunnen spreken, is (bijna) een doodzonde. Tenminste, als het gaat om de sectoren die tot de ‘gastvrijheidsbranche’ behoren.

Twitterstorm

Maar goed. Twitter dus. Vrijdagavond laat op 9 januari plaatste ik deze tweet:

Uw cookieinstellingen laten het tonen van deze content niet toe. De volgende cookies zijn nodig: marketing. Wijzig uw instellingen om deze content te zien.

Ik geef toe. Die laatste zin is enigszins blasé. Niemand is perfect. Ikzelf ook zeker niet. Maar joh, soms is het fijn om iets helder neer te pennen. En dat had gevolgen ditmaal.

De tweet werd veelvuldig geliked. Geretweet. En uiterst positief becommentarieerd. Maar niet in alle gevallen. Nu zijn er vele trollen actief op Twitter. Linkse trollen. Rechtse trollen. Of ‘gewoon’ vervelende trollen. Sommige daarvan zijn ronduit beledigend. Schelden je de huid vol. Of bedreigen je zelfs. Het zij zo. Ik ben wel wat gewend. Maar er komen ook reacties vanuit de ‘bovenwereld’. Waarbij de eindredacteur van de Linda (Rianne Meijer) een rol speelde. En tevens de historicus Constanteyn Roelofs. Die ook voor Elsevier Weekblad schrijft.

Beide personen vertegenwoordigen een vorm van commentaar, die grofweg in twee onderwerpen uiteenviel. Namelijk dat ik ‘onderdeel van het witte nationalistische patriarchaat’ zou zijn (hoe kom je erop, best knap). Of, iets vriendelijker, dat ik een ouwe lul was. Een ‘boomer’.

Rianne Meijer schreef het volgende over het eerste onderwerp:

Uw cookieinstellingen laten het tonen van deze content niet toe. De volgende cookies zijn nodig: marketing. Wijzig uw instellingen om deze content te zien.

Nu valt dit wat mij betreft nog binnen de grenzen. Al vind ik de schuttingtaal niet chic. En houd ik ook niet van het ‘frame’ dat ik een of andere enge nationalistische patriot zou zijn. Vervelender wordt het echter als anderen ook mee gaan in het ‘framen’. En mij allerlei dingen in de mond leggen die helemaal niet gezegd zijn. Het zij zo. Zo werkt Twitter.

Constanteyn Roelofs schreef het volgende over het tweede onderwerp:

Uw cookieinstellingen laten het tonen van deze content niet toe. De volgende cookies zijn nodig: marketing. Wijzig uw instellingen om deze content te zien.

Constanteyn, een jaar of 30 schat ik zo in, maakt er meteen een generatiekloofconflictje van. Jammer. En onnodig. Al is het alleen maar omdat er juist ook veel jongeren zijn die mijn tweet wél liken.

Lees ook deze opiniebijdrage van Lars Benthin: ‘Ok, boomer’ toont een ongezonde obsessie aan met jeugdigheid

Maar belangrijker is dat de meeste millennials (geboren tussen 1980 en 2000) geen weet hebben van wat de boomergeneratie nu eigenlijk is (1940-1960). En vaak niet beseffen dat de tussenliggende generatie (generatie X, mijn generatie, geboren tussen 1960 en 1980) er juist gemiddeld genomen compleet andere denkbeelden op nahoudt dan de boomergeneratie én de millennialgeneratie (generatie Y). En dat terwijl de boomers en de millennials juist heel erg veel gemeen hebben met elkaar qua opvattingen. Een historicus zou beter moeten weten. (En ach, binnen de generaties zijn er natuurlijk ook gigantische verschillen. Jesse Klaver is een millennial. Maar Thierry Baudet is er ook een.)

Wat maakt het ook uit. Ik geniet ervan. Van deze reacties. In elk geval als ze enigszins beschaafd zijn. Want ik ben nu eenmaal dol op discussie. Het mag mij niet vaak genoeg schuren. En dergelijke discussies kunnen ook weer de bron zijn van nieuwe blogs. En dat is fijn. Waarvan akte.

En wat betekent dit alles voor de winkels en de horeca?

Wees vriendelijk. En volg vooral de adviezen op in dit artikel. Waarom ik dit niet vaak genoeg kan benadrukken? Ik kan niet anders. Het begon bij mij al als kind. Het stoorde mij toen al als ik in de winkel of in de horeca slecht behandeld werd. De fascinatie en mijn fixatie op gastvrijheid hebben mij gevormd. En nu ik in de positie ben dat ik er iets aan kan doen, probeer ik dat dan ook.

Je dient de servicegraad te vergroten in winkel en horeca. Het is de basis van alles wat telt in het winkel- en horecavak. In mijn studententijd in Groningen ben ik jarenlang barkeeper geweest. Dat gaat om meer dan alleen maar snel biertjes kunnen tappen. Het gaat om een extreme focus op vriendelijkheid. Oog hebben voor alles en iedereen die zich binnen begeeft. Continu kijken of er iemand is die jou nodig heeft. Oogcontact. Verbinding zoeken. Noem het een afwijking, mijn focus op het verwennen van klanten. Maar ik kan echt niet anders.

En waarom moeten medewerkers ook in Amsterdam (proberen) Nederlands te praten?

Strabo heeft veelvuldig bezoekersonderzoek verricht in vrijwel alle Amsterdamse winkelstraten en -gebieden. Eén uitkomst zal u zeker verrassen. Het aandeel Nederlanders onder het winkelend publiek in onze Amsterdamse binnenstadsonderzoeken (Haarlemmerstraat-/dijk, Utrechtsestraat, Kalverstraat/Heiligeweg, Dam, Nieuwendijk, de Wallen, de Oude en Nieuwe Hoogstraat, enzovoorts bedraagt 67 tot 88 procent. De overgrote meerderheid dus. Je bent dus niet zo heel slim bezig als je je vervreemdt van je klantenbasis. Praat dus zo veel mogelijk Nederlands met je klanten.

Lees ook dit stuk van Hans van Tellingen over de stenen winkels versus webwinkels: Houd van je klanten, verwen ze

Vervreemd je niet van je grootste klantengroep. Die is nog steeds in zeer grote mate Nederlands. Ja, ook in Amsterdam. Je zaak zal er wel bij varen. Of het nu een horecazaak is of een winkel.

En het goede nieuws?

De grote hoeveelheid positieve reacties op mijn tweet komt uit alle lagen van de bevolking. Jong. Oud. Man. Vrouw. Van GroenLinks tot en met de PVV. En alles er tussenin. Kennelijk raakt de tweet een gevoelige snaar bij velen. De Nederlandse taal bindt ons allen.

Kenny B bezong het al: ‘Praat Nederlands met me!’

Uw cookieinstellingen laten het tonen van deze content niet toe. De volgende cookies zijn nodig: marketing. Wijzig uw instellingen om deze content te zien.

Kenny B is een wijs man. Praat Nederlands. Ook in de winkel en het café. En als je personeel echt nog geen Nederlands kan spreken? Laat dan die persoon zich welwillend opstellen. Dat hij of zij in elk geval een poging waagt om een Nederlandse bestelling op te nemen. Of dat het personeelslid heel vriendelijk vraagt om het toch in het Engels te doen. Maar doorgaans geldt toch dat het spreken van de Nederlands, ook als het krakkemikkig is, het beste werkt. En de meeste sympathie oplevert. ‘Praat Nederlands met me.’ Het werkt. Echt.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.