Roelof Bouwman

‘Talkshowoorlog’ is gênante vertoning

Door Roelof Bouwman - 14 januari 2020

Op televisie wemelt het van de praatprogramma’s. In plaats van kijkers zijn er steeds vaker hypes, schrijft Roelof Bouwman.

Nederlanders staan niet bekend als makkelijke praters. Grote redenaars hebben we nooit voortgebracht – hoe kan het ook anders, met een vader des vaderlands die Willem ‘de Zwijger’ werd genoemd? Zelfs op het niveau van het straatinterview bakken we er doorgaans weinig van.

Duitsers, Fransen of Amerikanen praten makkelijker dan Nederlanders

Roelof Bouwman is historicus en journalist. Hij schrijft wekelijks over politiek, geschiedenis en media.

Houd willekeurige Duitsers, Fransen, Britten of Amerikanen een microfoon voor en meestal blijken ze uitstekend in staat om kort, helder en verstaanbaar een reactie te formuleren op de gestelde vraag. Nederlanders daarentegen beginnen vaak te hakkelen, maken hun zinnen niet af en lijken er moeite mee te hebben hun gedachten goed onder woorden te brengen.

Wat is daarvan de oorzaak? Al dikwijls is het onderwijs als boosdoener aangewezen. Niet zo vreemd, wanneer we bedenken dat welsprekendheid op Nederlandse scholen van oudsher nauwelijks aandacht krijgt.

Kunnen stamelaars en stotteraars goede praatprogramma’s maken?

Zouden ze in een land met zoveel stamelaars en stotteraars in staat zijn om magistrale praatprogramma’s te maken?

Aanvankelijk leek dat geen probleem. De legendarische Willem Duys begon ermee, in 1963, onder de titel Voor de vuist weg. Twee jaar later kreeg ook Mies Bouwman een eigen talkshow: Mies en scène. De kijkcijfers waren astronomisch. Bij Duys waren het er geregeld meer dan zes miljoen – op een bevolking van twaalf miljoen.

Lees de tv-blog van Gerry van der List: En de winnaar van de talkshowoorlog is…

In de jaren zeventig en tachtig meldde zich een hele reeks nieuwe talkshowpresentatoren: Koos Postema, Aad van den Heuvel, Ivo Niehe, Jan Lenferink, Adriaan van Dis, Karel van de Graaf, Tineke de Nooij. VARA-coryfee Sonja Barend werd de succesvolste van het stel. Net als Duys in zijn gloriedagen trok ze begin jaren tachtig meer dan zes miljoen kijkers.

In de jaren negentig kreeg Nederland voor het eerst talkshows met een dagelijkse frequentie: Catherine (1995) met Catherine Keyl, B&W (1997), afwisselend gepresenteerd door Sonja Barend en Paul Witteman, en Barend en Van Dorp (1999).

Voorspelbaarheid troef: wéér Peter R. de Vries, wéér Maarten van Rossem

Dat we een klein land zijn met veel moeilijke praters, een beperkt aantal problemen en een niet erg grote kaartenbak met deskundigen begon nu toch wel op te vallen. Voorspelbaarheid werd een vaak gehoorde klacht – wéér Peter R. de Vries, wéér Maarten van Rossem – en de belangstelling taande.

In plaats van kijkers waren er steeds vaker hypes. De meest recente is de door de publieke omroep en RTL aangewakkerde ‘talkshowoorlog’ tussen Op1 en Jinek. Een enigszins gênante vertoning, want beide programma’s worden volgens de Stichting KijkOnderzoek (SKO) avond na avond door meer dan 90 procent van de Nederlanders genegeerd.

Uw cookieinstellingen laten het tonen van deze content niet toe. De volgende cookies zijn nodig: marketing. Wijzig uw instellingen om deze content te zien.

Dat geldt trouwens ook voor De Wereld Draait Door. Ruim zes miljoen kijkers, zoals vroeger de shows van Willem Duys en Sonja Barend? Matthijs van Nieuwkerk en Eva Jinek hebben met anderhalf miljoen belangstellenden al een topavond. Op1 kwam nog niet verder dan 1.092.000 kijkers.

‘Wéér een amateur-Rembrandt en een wonderkind en een pasgeboren koala en een saxofoonspelende excentriek. Ik kreeg het gevoel dat ik in herhaling viel,’ zei Duys toen hij in 1979 een punt zette achter Voor de vuist weg.

De man die in Nederland met een praatprogramma begon, zag ook als eerste dat je het publiek niet moet overvoeren. Dat inzicht is misschien wel actueler dan ooit.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.