Leo Kwarten

Zonder vleierij bereik je niets in Irak

14 januari 2020

In Irak kom je niet ver zonder stroop te smeren. Zo slaagde Leo Kwarten erin een bezoek te brengen aan het kopstuk van een Iraakse terreurbeweging.

‘Mooi handschrift heb je,’ glimlacht de man tegenover me. Hij geeft me mijn notitieschrift terug. De man heet Naim al-Abboudi. Met zijn confectiepak, getrimd baardje en diploma Arabische literatuur op zak is hij het gepolijste gezicht van de Iraakse sjiitische terreurbeweging Asa’ib Ahl Al-Haqq. Vrij vertaald: ‘De Hoofdbanden van de Rechtvaardigen’. Op 3 januari zetten de Amerikanen de groep op de terreurlijst. Dat was geen verrassing. De Asa’ib heeft sinds haar oprichting in 2006 meer dan zesduizend aanvallen op Amerikaanse doelen in Irak opgeëist.

Leo Kwarten

Leo Kwarten is arabist en antropoloog. Als zelfstandig gevestigd adviseur werkt hij voor bedrijven die opereren in het Midden-Oosten. Daarnaast publiceert hij over politiek en religie in de regio.

Mujamala

Al-Abboudi bedrijft mujamala, wat in het Arabisch iets betekent tussen vleierij en welbespraaktheid in. Het doel is ongemakkelijke situaties te voorkomen. Mijn Arabische handschrift ziet er namelijk niet uit. En ik heb de vragen op het laatste moment omgegooid, waardoor het een kliederboel is geworden. Want ook ik bedrijf mujamala. Eerst stroop smeren – ‘Goh, in Libanon gestudeerd, vertel eens’ – en de rotvragen voor het laatst bewaren: ‘Is het waar dat jullie de Verenigde Staten stiekem hebben laten weten niet te willen escaleren, terwijl jullie voor de bühne de mond vol hebben over het verdrijven van de Amerikaanse troepen uit Irak?’

Hoe regel je een interview met de Asa’ib? Er was me een Iraakse ‘fixer’ aangeraden. Hij verscheen in de gedaante van een gezette dertiger met een paardenstaart, jonglerend met vijf smartphones waarop hij simultaan gesprekken voerde, chatte en whatsappte. De Asa’ib? Hij hief zijn handen ten hemel. ‘Daar begin ik niet aan,’ zei hij. ‘Dan ben ik de helft van mijn contacten kwijt.’ Hij vertelde dat hij ooit een kogelbrief had ontvangen omdat hij de verkeerde mensen had gefixt. Om geen aandacht te trekken, had hij zich een tijdlang per ambulance naar zijn afspraken laten vervoeren.

Hulp van de taxichauffeur

Dan maar door de voordeur. Ik stuurde een bloemrijk verzoek naar de website van de Asa’ib, vol smeekbeden en mujamala. Tot mijn verbazing werd ik per omgaande gebeld door ene Abu Miqat. Hij stelde zich voor als de public relations-man van de militie, beloofde zijn best te doen, maar wilde me eerst ontmoeten. We spraken af bij het graf van Imam Ali in de sjiitische stad Najaf, 120 kilometer ten zuiden van Bagdad. Ik belde de fixer voor een taxi. De chauffeur moet wél een sjiiet zijn, zei ik. Dat is handig bij de checkpoints van de pro-Iraanse milities onderweg. ‘Fix ik,’ bromde hij.

Het werd een soenniet. De chauffeur had zelfs gediend bij de luchtmacht van de voormalige dictator en sjiietenmepper Saddam Hussein. Totdat hij zijn overste bij een ruzie om een vrouw op zijn gezicht had geslagen waarop hij werd gedegradeerd tot grensbewaker in Koerdistan. ‘Ik heb mijn les geleerd,’ verzuchtte hij. ‘Rokkenjagen doe ik niet meer. Maar mijn vrouw wil dat nog steeds niet geloven.’ Even later werd hij inderdaad gebeld door zijn lief. Waar hang je uit, wilde ze weten. Hij gaf zijn mobiel door. Mijn stem stelde haar kennelijk gerust. Ze besloot zwoel: ‘Goede reis, habibi.

De voormalige rokkenjager was de kunst van het mooipraten niet verleerd. Na korte gesprekjes bij de checkpoints waarin woorden als ‘held’, ‘officier’ en ‘lang leven’ voorkwamen, werden we overal doorgewuifd door glimlachende militieleden. Even later reden we Najaf binnen, de stad van Ali, de beschermheilige van de sjiieten. Bij Ali’s tombe was het een drukte van belang. Gelovigen baden, huilden en staken smeekbedes en geld door het traliewerk. Draagbaren met overledenen werden tussen de gelovigen door gemanoeuvreerd onder het scanderen van ‘Er is geen god dan God’.

Gesprek met topterrorist

Pr-man Abu Miqat was een uur te laat. Hij stelde zich voor als de neef van Asa’ib-leider Qais Al-Khazali. Met Qais valt niet te spotten. Zijn naam wordt in verband gebracht met doodseskaders, ontvoeringen en aanslagen. Maar Abu Miqat? Het was moeilijk voor te stellen dat deze nerveuze student de neef was van de man die onlangs door de Verenigde Staten (VS) is bestempeld tot specially designated global terrorist. ‘Sorry, verdwaald,’ verontschuldigde Abu Miqat zich. Normaal gesproken valt dat onder mujamala – hij had even iets anders te doen, maar wilde me niet beledigen – maar in dit geval geloofde ik hem.

Abu Miqat regelde een interview. En nu praat ik dus met Naim al-Abboudi, medeoprichter van de Asa’ib en fractievoorzitter van de Asa’ib-partij in het parlement. Robuust verdedigt hij de partijlijn. Nee, de pro-Iraanse milities in Irak zullen nooit worden ontbonden. En ja, we hebben het recht wraak te nemen op de VS en de Zionistische Entiteit. ‘Mooi handschrift,’ zegt hij nog eens bij het afscheid.

Later bekijk ik mijn vragenlijstje. Dan valt het me opeens op: een verschrijving in de eerste zin. Er staat Asabat  in plaats van Asa’ib: niet ‘hoofdbanden’ maar ‘boevenbendes’. Dat kan Al-Abboudi niet zijn ontgaan, maar hij heeft de chique Arabische weg gekozen. Leve de mujamala!

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.