Leo Kwarten

In Koeweit is het trauma van de Iraakse bezetting nog steeds tastbaar

Door Leo Kwarten - 04 februari 2020

Arabist Leo Kwarten bezocht Koeweit en zag dat de Iraakse bezetting (1990-1991) er diepe wonden heeft geslagen. De inval van de troepen van Saddam Hussein heeft het zelfvertrouwen en de waardigheid van de Koeweiti blijvend aangetast.

Het is 24 februari 1991, acht uur ’s ochtends. Een wit minibusje stopt voor een uit gele bakstenen opgetrokken villa in Al-Qurayn, een buitenwijk van Koeweit-Stad. De witte busjes boezemen de Koeweiti’s grote angst in. Ze zijn het favoriete vervoermiddel van de Iraakse veiligheidsdienst. Sinds de Iraakse dictator Saddam Hussein het rijke oliestaatje op 2 augustus 1990 is binnengevallen, zaaien de bezetters er dood en verderf. Duizenden burgers zijn in dergelijke busjes afgevoerd naar Saddams folterkamers om te worden overgeleverd aan de zieke creativiteit van zijn beulen.

Iraakse soldaten gingen bruut tekeer tegen Koeweitse verzetsstrijders

Leo Kwarten

Leo Kwarten is arabist en antropoloog. Als zelfstandig gevestigd adviseur werkt hij voor bedrijven die opereren in het Midden-Oosten. Daarnaast publiceert hij over politiek en religie in de regio.

De Irakezen zijn in Al-Qurayn op zoek naar jonge Koeweitse mannen. Het is de bedoeling ze af te voeren naar Irak om daar te dienen als gijzelaars of menselijk schild bij luchtaanvallen door de internationale coalitie onder leiding van de Verenigde Staten. Vanochtend is de bevrijding van Koeweit begonnen. De geallieerden zijn de grens al overgetrokken, en Saddam beseft dat zijn leger kansloos is. Een Iraakse soldaat stapt uit het busje en bonkt op de voordeur. Als er niet wordt opengedaan, begint hij de deur in te beuken.

Wat de Irakezen niet weten, is dat zich in het huis negentien Koeweitse verzetsstrijders schuilhouden. Sommigen zijn militairen uit het verslagen Koeweitse leger. Anderen zijn ambtenaar of olie-ingenieur. Allemaal hebben ze gezinnen. De mannen wachten op hun moment van glorie, wanneer ze straks de bevrijders de weg kunnen wijzen naar plaatsen waar Irakezen zich verborgen houden. Maar nu Saddams mannen voor de deur staan, is die kans verkeken. De leider van de verzetsgroep opent het vuur.

De Irakese soldaat voor de deur heeft geluk: het wapen van de Koeweiti weigert. Zijn maat bij het busje wordt wel geraakt. Geschrokken roepen de Irakezen versterking op. Die verschijnt even later in de vorm van een tank en granaatwerpers. Tegen de avond is het huis veranderd in een ruïne. Drie verzetsstrijders zijn gedood, negen anderen worden afgevoerd. Hun gefolterde lichamen worden de volgende dag gevonden. Zeven Koeweiti’s overleven de aanval door zich te verstoppen in een ruimte boven het plafond.

In Al-Qurayn wordt de inval van Saddams troepen herdacht

Bijna dertig jaar later loop ik door de kapotgeschoten villa. De regering van Koeweit besloot direct na de bevrijding de villa in Al-Qurayn in ongerestaureerde staat open te stellen voor het publiek, als eerbetoon aan het Koeweitse verzet. Er zijn geen andere bezoekers. Vanaf de door kogelinslagen gepokte muren staren de gezichten van de martelaren je aan: uitvergrote pasfoto’s van besnorde huisvaders onder petten of hoofddoeken die zijn genomen in een tijd dat niemand zich kon voorstellen dat Saddam hun land zou binnenvallen. Vanaf het balkon zie ik dat het witte busje er nog steeds staat.

Verderop hangen documenten die de Koeweiti’s hebben buitgemaakt op de Iraakse bezetter. Op 1 november 1990 meldt ‘kameraad Shamkhi’ in een brief de arrestatie van de zesjarige Jassim. Het jochie is betrapt met een verboden Koeweitse vlag. Hij wordt samen met zijn moeder overgedragen aan de veiligheidsdienst met het verzoek ‘gepaste maatregelen te nemen’. In een andere brief worden puntsgewijs richtlijnen gegeven om met demonstraties om te gaan: ‘Besluip de demonstranten, sluit hun vluchtroutes af en open het vuur met machinegeweren en vlammenwerpers. Liquideer ze allemaal.’

Het Martelarenmuseum van Al-Qurayn past in een traditie. Landen kiezen ervoor om plaatsen waar oorlogsmisdaden zijn gepleegd in originele vorm te bewaren voor toekomstige generaties. Frankrijk heeft Oradour-sur-Glane, waar de nazi’s 642 burgers vermoordden. Cambodja heeft Tuol Sleng, het foltercentrum van de Rode Khmer. Namen die gegrift staan in het collectieve geheugen van de natie. Het merkwaardige in Koeweit is echter dat ik bijna niemand ontmoet die Al-Qurayn heeft bezocht. Sommigen menen dat ze er zelfs nog nooit van hebben gehoord.

Trauma van Iraakse bezetting is nog steeds tastbaar

Lees ook deze blog van Leo Kwarten: Bronzen knuisten Saddam resultaat polderen in Irak

En dat terwijl het trauma van de Iraakse bezetting hier nog steeds tastbaar is. ‘Na 1991 bekroop ons onbewust de twijfel of dit land nog wel een toekomst heeft,’ zegt een Koeweitse politicoloog die ik ontmoet in een Starbucks-koffietent. ‘De Irakezen bezetten ons in drie uur. De Iraniërs zouden daar een uur voor nodig hebben en de Saudiërs tien minuten. Dat doet iets met je waardigheid.’ Terwijl hij spreekt, kijken we uit over de skyline van Koeweit-Stad die ondanks de olierijkdom armetierig afsteekt bij die van Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) of Doha (Qatar). Koeweit oogt als een stad zonder bezieling, zonder ambitie.

‘Na de bevrijding in 1991 hebben we het hier alleen wat aangeharkt,’ verzucht hij. ‘De wederopbouw is eigenlijk pas begonnen na 30 december 2006.’ Ik kijk hem vragend aan. Hij verklaart: ‘De dag waarop Saddam Hussein werd opgehangen en we wisten dat hij nooit meer zou terugkeren.’

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.