Philip van Tijn

Terechte excuses van Rutte moeten uitzondering blijven

Door Philip van Tijn - 02 februari 2020

De excuses van premier Mark Rutte (VVD) tijdens de Auschwitzherdenking zijn waardevol. Zij bieden eindelijk een officiële verklaring voor het feit dat in geen Europees land naar verhouding zoveel Joden zijn vermoord als in Nederland. Maar er schuilt ook een risico in de schuldbekentenis van Rutte, schrijft Philip van Tijn.

Philip van Tijn

Philip van Tijn is bestuurder, toezichthouder en adviseur. Hij schrijft wekelijks een blog over de actualiteit.

In 1998 verscheen een boekje van Ed van Thijn – voormalig minister, burgemeester van Amsterdam en fractieleider van de PvdA – getiteld De sorry-democratie. Hierin rekende hij genadeloos af met het gemak waarmee ministers en staatssecretarissen hun excuses aanboden voor blunders, stommiteiten en grove beoordelingsfouten. Veelal zaken die tot hun aftreden hadden moeten leiden, maar dat werd vermeden doordat de Kamer hun excuses aanvaardde.

Sindsdien is de situatie iets beter geworden; zo traden in de kabinetten-Rutte II en III niet minder dan tien bewindslieden af, van wie Menno Snel nog vers in het geheugen ligt. Overigens traden de meesten af voordat een debat met de Tweede Kamer had plaatsgehad – je zou zelfs kunnen zeggen: om zo’n debat te ontlopen. En dat is minder mooi, want ook daardoor gebeurde waarvoor Van Thijn waarschuwde: het ontlopen van een krachtmeting tussen bewindsman en volksvertegenwoordiging, waarin de laatste zijn democratische controlefunctie kan uitoefenen.

Zó vele medeschuldigen maakten excuses onontkoombaar

EW besteedt dit jaar – 75 jaar na de bevrijding – veel aandacht aan belangrijke (militaire) gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog: De Slag om de Ardennen: strijd in de sneeuw

Een week geleden hield premier Rutte bij de Auschwitzherdenking een opzienbarende speech. Hierin bood hij onomwonden namens de regering excuses aan ‘voor het overheidshandelen van toen’. En hij voegde hieraan toe ‘Dat doe ik in het besef dat geen woord zoiets groots en gruwelijks als de Holocaust ooit kan omvatten.’ De sleutelpassage luidt: ‘Toen een groep landgenoten onder een moorddadig regime apart werd gezet, buitengesloten en ontmenselijkt, zijn we tekortgeschoten. Toen het gezag een bedreiging werd, zijn onze overheidsinstanties tekortgeschoten, als hoeders van recht en veiligheid.’

Dáárin zit het grote verschil met de sorry-democratie. Bij die laatste gaat het om een prevelementje waarmee een – meestal individuele – bestuurlijke blunder of politieke zonde als door een toverstokje wordt uitgewist. Maar hier neemt Rutte de verantwoordelijkheid voor ‘het overheidshandelen van toen’. Dat zijn dus bijna alle overheidsdienaren die met meer of minder tegenzin de ariërverklaring tekenden, de (top)ambtenaren die meebogen met de bezetter, de politie die jacht op de Joden maakte, de vervoersbedrijven die ze naar de kampen vervoerden. En dat alles onder de ogen van de bevolking die, op een aantal heldhaftige uitzonderingen na, passief toekeek.

En niet te vergeten onze regering in Londen, waarvan we een halve eeuw lang het beeld voorgeschoteld hebben gekregen dat deze pal stond voor ons land en tegen de bezetter, met alle middelen en onder leiding van een heldhaftige koningin Wilhelmina. Dat beeld is inmiddels wel afgebrokkeld. Dat was al een beetje gebeurd in de Parlementaire enquête regeringsbeleid 1940-1945 die tussen 1947 en 1956 verscheen om de lacune op te vullen waarin geen parlementaire controle op het regeringsbeleid had bestaan. In de enquêtecommissie zaten louter de grote mannen (en een enkele vrouw) van de naoorlogse politiek, die niet de behoefte hadden toe te dekken. Maar de historische afstand ontbrak, ze zaten er nog te dicht op en daarom bleef het beeld bestaan, ondanks bijkleuringen en bijstellingen.

Ook daarom zijn Ruttes woorden waardevol. Zij bieden eindelijk een officiële verklaring voor het feit dat in geen Noord- West- of Zuid-Europees land naar verhouding zoveel Joden zijn vermoord als in Nederland. Een ander Nederland dan dat van de Februaristaking en de aanslag op het bevolkingsregister; een Nederland dat ten onrechte pronkt met de internationale icoon Anne Frank.

Lees het opiniestuk van Roelof Bouwman nog eens terug: Excuses slavernij zijn echt nergens voor nodig

We moeten wel excuus-inflatie vermijden

Er zit ook een risico aan de schuldbekentenis van Rutte, premier én historicus.

Er zijn twee belangrijke, om niet te zeggen zwarte, bladzijden in onze geschiedenis waarvan menigeen vindt dat (ook) daarvoor officieel excuus moet worden aangeboden: ons slavernijverleden en de dekolonisatie van Nederlands-Indië.

Geen frisse gebeurtenissen, zeker niet. Maar het kost weinig moeite om enkele beduidende verschillen te noemen met, in Ruttes woorden, ‘het wegkijken, uit zelfbehoud, opportunisme of onverschilligheid – toen mensen werden weggevoerd en hun huizen leeggeroofd’. Hier is sprake van een bijna collectieve schuld waardoor meer dan 100.000 mensen werden vermoord, Amsterdam 10 procent van zijn inwoners verloor en de vaderlandse geschiedenis verarmde.

Van de slavernij hadden de meeste landgenoten geen weet en namen er zeker niet aan deel. En over de gruwelijke gebeurtenissen bij de dekolonisatie kan worden gezegd dat de wreedheden en onmenselijkheid van beide kanten kwamen en dat tegenover het recht aan Indonesische kant op onafhankelijkheid het recht aan Nederlandse kant stond om zijn (staats)burgers daar te beschermen.

Er valt natuurlijk veel meer over te zeggen. Maar laat ik volstaan met de wens dat dit excuus dat te maken heeft met ‘zoiets groots en gruwelijks als de Holocaust’ een uitzondering blijft en er geen sorry-inflatie optreedt. Zodat er geen bijgewerkte herdruk van De sorry-democratie nodig is.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.