Philip van Tijn

Helaas, wij zullen Italië moeten helpen

31 maart 2020

Italië deed niet zuinig aan en wij wel, en de tirade tegen Nederland is ongekend brutaal. Maar uiteindelijk is het in Nederlands eigen belang om de Italianen te helpen, schrijft Philip van Tijn.

Van onze voormalige minister van Financiën, Jan Kees de Jager, stamt de beroemde uitspraak ‘I am Dutch, so I can be blunt’. Met de kanttekening dat Jan Kees (waar is-ie gebleven na KPN?) niet blunt kan zijn, maar het domweg is.

Philip van Tijn

Philip van Tijn is bestuurder, toezichthouder en adviseur. Hij schrijft wekelijks een blog over de actualiteit.

Een andere vaderlandse politicus, Jeroen Dijsselbloem, is ook tegen zijn wil beroemd geworden door een uitspraak. Als voorzitter van de Eurogroep werd hij, ten tijde van de Eurocrisis, geïnterviewd door de Frankfurter Algemeine Zeitung (FAZ, een echte kwaliteitskrant). In dat interview verplaatste hij zich in Zuid-Europese landen, vooral Griekenland en Italië, die hun zaken allesbehalve op orde hadden, daar allesbehalve naar leefden, in de wetenschap dat ze toch door de Noord-Europese landen zouden worden geholpen. ‘Ik kan niet al mijn geld uitgeven aan drank en vrouwen om u vervolgens om bijstand te vragen.’ Met die uitspraak wist hij zo ongeveer iedereen tegen zich in het harnas te jagen, tot en met de feministen. Het was eigenlijk een Jan Keesje: blunt maar niet onjuist. Maar in de ‘Europese familie’ (net zoiets idioots als ‘de olympische familie’) valt zoiets niet goed.

Het is het oude verhaal over de toon en de muziek. Mark Rutte is bijna de langst-regerende politicus in Europa en krijgt veel waardering. Maar ook hij kan het zich niet veroorloven om het zaaltje waar een Eurotop wordt gehouden te betreden met ostentatief een Chopin-biografie onder zijn arm.

‘Wij’ hebben gedaan wat moest, ‘zij’ niet

De discussie over de Nederlandse lompheid woedt weer in alle hevigheid. Deze keer natuurlijk naar aanleiding van de jongste crisis. Want de coronacrisis slaat veel harder toe dan destijds de eurocrisis – en dan bedoel ik uiteraard niet de medische kant, want dat spreekt vanzelf. Maar ook economisch wordt de hele wereld geraakt op een wijze die misschien nog nooit eerder is vertoond. Het is nu al de crisis van de megagetallen: een nog nooit geziene stijging van de werkloosheid in de Verenigde Staten in no time van bijna niks naar 3 miljoen, financiële steunprogramma’s met astronomische bedragen.

Alles lijkt ineens te kunnen, tot Donald Trumps handtekening onder een steunprogramma van 2.000 miljard dollar aan toe. Een onwaarschijnlijk hoog bedrag, maar in verhouding tot de bevolkingsomvang vrijwel evenveel als onze minister van Financiën Wopke Hoekstra (CDA) in het vooruitzicht stelde – 90 miljard euro – met de toevoeging dat hij, als het zou moeten, ook nog wel verder kan en wil gaan. Ik voorspel nu al dat de zin ‘Whatever it takes’, bij de eurocrisis uitgesproken door voorzitter van de Europese Centrale Bank Mario Draghi, de beroemdste uitspraak van de 21ste eeuw zal worden, zoals Churchills ‘We shall fight them on the beaches’  die van de 20ste eeuw.

Lees ook dit commentaar van Joris Heijn: Niets weerzinwekkend aan eisen voor noodsteun aan Zuid-Europa

Hoekstra kan dat in zekere zin gemakkelijk doen, want de staatsschuld van Nederland bedraagt 48 procent van het bruto binnenlands product (bbp), en dat is ruim binnen het maximum dat ‘Europa’ heeft gesteld: 60 procent. Heel wat landen lappen dat maximum aan hun laars, met steeds nieuwe smoesjes en uitvluchten; zo zitten Frankrijk, België en Spanje rond 100 procent (ook hier begint Zuid-Europa bij Wuustwezel). Aan top staat natuurlijk Griekenland met (in 2017) circa 180 procent, maar daarvoor zijn dan ook redenen aan te wijzen en ze zijn op de goede weg. Waar er voor Griekenland excuses gelden, zijn die er niet voor Italië: zelfs in de achter ons liggende jaren van overvloed is de staatsschuld steeds verder opgelopen en bedraagt nu 134 procent. Dijsselbloems uitspraak over Schnaps und Frauen was dan misschien lomp, maar raak getypeerd.

Toen je bij ons – in de hoogtijdagen, maar ook in de nadagen van de eurocrisis –  met een kanon door een restaurant kon schieten, zaten in Italië als vanouds op zondagmiddag de restaurants stampvol met hele families.

Italiaanse brutaliteit versus Nederlandse lompheid

Een duidelijk geval van eigen schuld dikke bult! In Italië en vergelijkbare landen zullen ze wel geen uitdrukking kennen zoals ons ‘Je moet het dak repareren wanneer de zon schijnt’ – en dat terwijl, zoals bekend, de zon daar veel vaker schijnt.

Lees het commentaar van Marijn Jongsma: Italiaanse tirade zegt alles over Italianen zelf

‘Europa’ zit niet stil. De ECB heeft van alles in beweging gezet, niet in de laatste plaats een ‘pandemie-noodopkoopprogramma’ (Scrabble-plankje vol) van niet minder dan 750 miljard euro, waarmee staats- en bedrijfsleningen worden opgekocht. Maar het zal niet genoeg zijn. Een voormalig premier van Italië, Enrico Letta, zegt in een interview in de Volkskrant: ‘We vragen om een Europese oplossing; we vragen of we deze crisis samen te lijf kunnen gaan.’ Dat is Italiaanse brutaliteit als tegenhanger van de Nederlandse lompheid; deze uitspraak doet me denken aan die van de muis die met een olifant een houten bruggetje oversteekt: ‘Wat stampen we samen fijn!’

Die Europese oplossing is, in de ogen van Italië en andere zuidelijke landen, het in werking laten treden van het Europees Stabiliteits Mechanisme (ESM). Dat is een gezamenlijk noodfonds waarin 410 miljard euro zit en dat kan ook nog méér worden. Probleem 1: het ESM is niet voor een crisis als deze bedoeld. Probleem 2: het eten uit deze ruif is gebonden aan strenge voorwaarden waaraan Italië niet kan (je mag ook zeggen: niet wil) voldoen.

Als je niet beter zou weten, zou je zeggen: we schorten de voorwaarden even op en gaan ze toepassen zodra het ergste voorbij is; een soort voorwaardelijke toepassing dus. Maar Italië heeft het ernaar gemaakt dat zo’n afspraak op hoongelach kan rekenen.

Nederland en andere Noord-Europese landen zijn tegen het gebruiken van het ESM voor dit doel zonder voorwaarden. Maar Nederland wordt beschouwd als de leider van dit clubje – het kwade genius.

Zuid-Europa helpen is uiteindelijk egoïsme

Dagenlang worstelde ik met de vraag wat ik moest vinden. Ik geloof niet in het goede in de mens, ik vind niet dat ondeugd moet worden beloond, ik ben eurofiel noch eurofoob. Ik helde nu eens naar de ene kant dan weer naar de andere.

Totdat maandag Nout Wellink in een radioprogramma naar zijn mening werd gevraagd. Eigenlijk schreef – voor zover ik weet – alleen De Telegraaf daar uitvoerig over. Merkwaardig, want Wellink is veertien jaar president van De Nederlandsche Bank geweest en daarvoor was hij vele jaren topambtenaar bij Financiën. En nu al weer vele jaren commissaris, eerst bij de bijna-grootste en nu bij de grootste bank van China. Je zou dus denken dat zijn mening iets meer gewicht in de schaal legt dan die van vrijwel al die economen die dag in dag uit kibbelend over straat rollen.

Met duidelijke tegenzin zegt Wellink: Doen, want we kunnen niet anders. Met twee mooie beelden: ‘We zijn geen rijk Noorden meer als het Zuiden omvalt / Als een gezonde man onder een lawine komt, helpt het niets meer dat je gezond bent.’

Ik noemde zijn functies, maar er is iets wat voor mij nog méér telt. Wellink is altijd een zorgvuldig man geweest, een man ook van regels en de eerbiediging daarvan. In zijn loopbaan heeft hij heel wat foefjes en truukjes tegengehouden.

Als je tegen die achtergrond zíjn Whatever it takes-moment beziet, kun je haast niet anders dan die mening delen.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.