Eric Vrijsen

Leverde Rutte met crisistoespraak zijn eeuwige proeve van bekwaamheid?

Door Eric Vrijsen - 22 maart 2020

Colijn, Den Uyl, Rutte. Met een crisistoespraak gaat een premier de geschiedenisboeken in. Maar meestal resteert niet meer dan een verkeerd onthouden zinnetje. Eric Vrijsen over eerdere historische toespraken. ‘Ik constateer dat wij in oorlog zijn.’

Premier Mark Rutte (VVD) oogstte in eerste instantie lof voor zijn televisietoespraak op maandag 16 maart, maar heel moeilijk was dat nu ook weer niet. Politiek charisma is niet een vaardigheid van een politicus, maar iets wat in de hoofden van de toeschouwers speelt. In tijden van crisis snakt iedereen naar leiderschap. De minister-president moet dan de wijze woorden uitspreken waarnaar zijn landgenoten hevig verlangen. Ze zijn onzeker, somber en verdrietig, waardoor een oproep tot gemeenschapszin meteen goed valt.

Het was alweer 46 jaar geleden dat een minister-president zich in een noodsituatie rechtstreeks richtte tot de televisie­kijkende burgerij. Dat maakte Ruttes toespraak sowieso plechtig en historisch. Zijn verre voorganger Joop den Uyl (PvdA) sprak in het holst van de olie­crisis van 1973. Maar er zijn er meer crisistoespraken geweest op tv, radio of – live uitgezonden – in het parlement.

Bij alle narigheid van een crisis vindt vrijwel iedereen dat ook mooi. Het Binnenhof produceert nu eens niet gekibbel en geruzie, maar levert op gewichtige toon eenheidspropaganda: ‘Ik reken op u.’ Een wenkend perspectief hoort erbij. Als land kunnen we er sterker uit komen. Op de golven van publieke bereidwilligheid wordt de premier een staatsman.

Het oprukkende water was als de Duitse inval

Gedenkwaardig zijn nog altijd de woorden van premier Willem Drees (PvdA) tijdens de Watersnoodramp in 1953, waardoor bijna 1.900 Nederlanders verdronken. Drees zag ‘de worsteling met het water’ als een oorlog. Het oprukkende water was als de Duitse inval in mei 1940, toen ook voortdurend tegenslagen werden gemeld.

Bange dagen, maar: ‘Voor het ogenblik vallen alle onderscheidingen en ­tegenstellingen weg en is er alleen de ­vurige wens eendrachtig alle krachten in te spannen tot afweer, tot hulpverlening, tot wederopbouw. Moge bij alle menselijk onvermogen tegenover onherstelbare verliezen, die eendrachtige wil gezegende vruchten dragen voor de getroffenen, voor het geteisterde gebied voor ons land en voor onze volkskracht.’

Op hetzelfde moment sprak vicepremier Louis Beel (KVP) in de Eerste Kamer dezelfde woorden uit. Zo’n duo-voorstelling zou nu ondenkbaar zijn, maar destijds kon dat nog.

‘Ik constateer dat wij in oorlog zijn’

Net als op 10 mei 1940, toen niet premier Dirk Jan de Geer (CHU), maar minister van Buitenlandse Zaken Eelco van Kleffens (partijloos) het heft in handen nam. De Duitse gezant graaf Julius von Zech-Burkersroda las hem ’s ochtends om 6 uur een telegram uit Berlijn voor: Duitse troepen vielen binnen, want Berlijn had bewijzen dat Nederland samenspande met de Fransen en Britten.

Van Kleffens wees dit laatste verontwaardigd van de hand en stelde vast dat het land in de oorlog was: ‘Gezien de ongehoorde Duitse aanval, begonnen zonder enige voorafgaande waarschuwing, is de Nederlandse regering van oordeel dat thans een staat van oorlog is ontstaan tussen het Koninkrijk en Duitsland.’ Alleen de Tweede Kamer kon de oorlog verklaren, maar daarvoor was geen tijd meer. Later werd Van Kleffens verklaring verbasterd tot: ‘Ik constateer dat wij in oorlog zijn.’

Inmiddels is de positie van een ­minister-president veel sterker en is hij de enige die de crisisverklaring kan afleggen. Met een vakminister wordt geen genoegen meer genomen. Ook fractie­leiders moeten hun plaats kennen. In het Kamerdebat van vorige week begon GroenLinks-leider Jesse Klaver zalvend te spreken over de ‘homo empathicus’, over ‘niet de survival van fittest, maar de survival van de kindest’. Goed bedoeld, maar het kwam nogal pathetisch over. Het is aan de premier om de nationale saamhorigheid te prediken.

Rutte houdt ervan zichzelf te relativeren

Rutte zelf deed er luchtig over. Hij had het later over ‘mijn tv-praatje’. Hij noemde het ‘nogal arrogant om zo de huiskamers binnen te dringen’ en zonder goede reden had hij dat heus niet gedaan. Hij heeft nu eenmaal een losse, informele stijl en houdt ervan zichzelf te relativeren. Maar in crisistijd moet hij daarvan loskomen. Hij was aan het slot van een persconferentie al een keer de fout ingegaan door Jaap van Dissel, viroloog en directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), toch een hand te geven en daarna een lollige ellebooggroet uit te voeren. Een blunder, want nu is alles ernst.

Daarom zat hij die maandag klaar voor de camera in donker pak, wit overhemd en zwarte das. Doorgaans gebaart hij met zijn handen terwijl hij praat, maar die lagen nu keurig gevouwen op tafel. Om nadruk te leggen op sommige zinnen, bewoog hij iets naar voren.

Verre voorganger Den Uyl had een strikt neutrale achtergrond: een grijs gordijn. Maar Rutte vond kennelijk dat hij bij het binnendringen van miljoenen huiskamers – volgens onderzoek keken ruim 7 miljoen mensen – ook iets van zijn eigen interieur moest prijsgeven. Vandaar dat portret van de negentiende- eeuwse liberale leider Rudolf Thorbecke op de achtergrond en een soort vensterbank met cd’s en nogal wat geschiedenisboeken. Knus, maar het leidde wel af.

Nederland is geen land van loopgraven

In Frankrijk of de Verenigde Staten had er een vlag bij gemoeten. De Franse president Emmanuel Macron sprak over ‘een oorlog tegen een onzichtbare vijand’. Rutte haalde de oorlog er niet bij. Dit is geen land van loopgraven.
Ruttes tekst was helder. Er was twee ­dagen aan gewerkt. Desondanks is het onvermijdelijk dat naderhand citaten worden verkracht.

In zijn tv-toespraak van 1 december 1973 richtte PvdA-premier Den Uyl zich op de lange termijn. De olieboycot van de Arabische landen was het bewijs dat de economie te afhankelijk was van olie.

Joop den Uyl spreekt het land toe over de oliecrisis

Was de boycot straks voorbij, dan kon Nederland niet op de oude voet verder gaan. Er moest zuiniger met energie worden omgesprongen. Den Uyl voorspelde: ‘Zo bezien keert de ­wereld van voor de oliecrisis niet meer terug. Daardoor zal ons bestaan veranderen. Bepaalde uitzichten vallen weg, maar ons bestaan hoeft er niet ongelukkiger op te worden.’

Die toespraak van 3 minuten en 20 seconden ging ultrakort de collectieve herinnering in: ‘Die tijd komt nooit meer terug.’ Dit zei Den Uyl niet, maar het bekte lekkerder en was makkelijker te onthouden. Op den duur ging Den Uyl zelf ook terugblikken op zijn dramatische speech als de ‘die-tijd-komt-nooit-meer-terug-toespraak’.

De premier staat er voortaan gekleurd op

Dat is het gevaarlijke van zo’n verbaal drama. De geschiedenis gaat op de loop met één enkel zinnetje en de premier staat er voortaan gekleurd op.
Premier Hendrik Colijn (ARP) was de eerste die koos voor de speechmethode, en dat heeft-ie geweten. Op 11 maart 1936 sprak hij via de radio het volk toe.

Colijn bij de radio

Het land zat in een diepe economische crisis, maar Colijn weigerde de gulden te devalueren. Daar kwam ineens oorlogsdreiging overheen: Duitsland verbrak de vredesbepalingen van na de Eerste Wereldoorlog en de Wehrmacht bezette het Rijnland. Iedereen was nerveus en misschien braken plunderingen uit.
Colijn maande tot kalmte: ‘Ik verzoek de luisteraars dan ook, wanneer zij straks hun legersteden opzoeken, even rustig te gaan slapen als zij dat ook andere nachten doen. Er is voorshands geen enkele reden om ongerust te zijn.’

Daar bleef uiteindelijk één zinnetje van over: ‘Gaat u maar rustig slapen.’ Tot op de dag van vandaag krijgt Colijn dat ingepeperd. Crisis of geen crisis, ondergang of geen ondergang, de Haagse onnozelaar hield stug zijn verkeerde koers.
Elke premier weet sindsdien dat hij het volk nooit zand in de ogen moet strooien. Hij moet een treffende zin vinden om paniek te vermijden en toch de ernst van de situatie tot iedereen te laten doordringen. Het moet passen bij de veronderstelde nuchtere volksaard, terwijl iedereen moet snappen dat ineens alles anders is. PvdA-premier Wim Kok sprak na de aanslagen van 11 september 2001 in de Tweede Kamer: ‘Het internationale terrorisme heeft ons de oorlog verklaard.’ En zo was het.

Wordt Rutte de man die alles onderschatte?

Vandaar ook de bezwering van Rutte: ‘Ik heb vanavond geen makkelijke boodschap voor u.’ En: ‘Het zal hoe dan ook een moeilijke tijd worden, maar we laten u niet in de steek.’ Hij liet natuurlijk ook een uitweg zien en legde uit wat ‘gecontroleerd groepsimmuniteit opbouwen’ inhield. Hij trok een vergelijking met de mazelen. ‘Dat is het principe.’

Als de aanpak mislukt, doordat een vaccin te lang op zich laat wachten, gaat Rutte met die passage de geschiedenis in als de man die alles onderschatte. Maar als het aantal sterfgevallen door het ­coronavirus straks meevalt, leverde Rutte in 10 minuten en 17 seconden zijn eeuwige proeve van bekwaamheid.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.