Leo Kwarten

De Hezbollah-leider van tien miljoen had altijd wel tijd

28 april 2020

In het gespleten Libanon condoleren ook vijanden elkaar, zonder cynisme. Dat merkte Leo Kwarten bij een bezoek aan Hezbollah, net nadat de terreurorganisatie een moordaanslag had gepleegd.

Het is 21 november 2006. De taxi manoeuvreert zich tergend langzaam door het chaotische verkeer van Beiroet. Dan is er een extra nieuwsuitzending op de radio: Pierre Gemayel, de 34-jarige minister van Industrie van Libanon, is zojuist door onbekenden doodgeschoten. ‘Ja, ja!’ juicht de taxichauffeur alsof zijn voetbalclub heeft gescoord.

‘Mooi, man! Ha!’ Hij slaat met zijn hand op het stuur van pret. De taxichauffeur is van Hezbollah, de zwaarbewapende pro-Iraanse militie in Libanon. Pierre Gemayel was fel anti-Hezbollah en vond dat de militie zich moest ontwapenen. Een conclusie is dan snel getrokken.

Leo Kwarten

Leo Kwarten is arabist en antropoloog. Als zelfstandig gevestigd adviseur werkt hij voor bedrijven die opereren in het Midden-Oosten. Daarnaast publiceert hij over politiek en religie in de regio.

Ik ben onderweg naar Zuid-Beiroet om een interview te regelen met Hezbollah. Daarvoor moet ik me melden in een groezelig kantoortje in de wijk Harat Hreik, een Hezbollah-bastion waar de regering niets te vertellen heeft. Onderweg passeren we gebouwen die eerder dit jaar door Israël zijn gebombardeerd. Bulldozers schuiven puin. Kranen tillen verwrongen metaal in vrachtwagens. Op het mediabureau heerst echter een feestelijke stemming. Mannen feliciteren elkaar uitbundig met de dood van Pierre Gemayel. Er wordt gelachen en snoep uitgedeeld. Voor subtiliteit is geen plaats in de Libanese politiek.

Paulus de Boskabouter-lookalike

Interviews regelen met leiders van Hezbollah is lastig. Maar ik heb een troef. Hij heet Mohammad Kawtharani, een militaire commandant. Bij journalisten is hij nauwelijks bekend. Zelden wordt hij gevraagd voor interviews. Onze wegen kruisten elkaar bij toeval. ‘Er is niemand beschikbaar,’ zeiden ze vorig jaar bij het mediabureau. ‘Is Kawtharani ook goed?’ Zo leerde ik deze kettingrokende Paulus de Boskabouter-lookalike kennen. Witte tulband boven pientere oogjes. Zwarte baard met grijze vegen. Het klikte meteen. Ik kon altijd naar hem vragen, zei Kawtharani na afloop. Hij wekte de indruk dat hij tijd genoeg had.

Achteraf blijkt dat Kawtharani meer aan de weg heeft getimmerd dan ik dacht. Op 10 april 2020 loofde het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken een beloning van 10 miljoen dollar uit voor informatie over de activiteiten en het netwerk van Kawtharani. Tegenwoordig is hij de ‘ambassadeur’ van Hezbollah in Irak. In die hoedanigheid zou Kawtharani de pro-Iraanse milities in Irak bijstaan bij het neerslaan van ongewenste demonstraties, aanvallen op ambassades en criminele activiteiten. Hij zou gedeeltelijk de Iraanse generaal Qassim Suleimani vervangen, die begin dit jaar door de VS werd geliquideerd.

Arabisch of Amerikaans Libanon

Onbekend met Kawtharani’s ambities vraag ik op 21 november 2006 dus een gesprek met hem aan. ‘Kawtharani?’ vraagt de mediadirecteur verbaasd. ‘Geen journalist vraagt ooit naar Kawtharani. Maar dat kan worden geregeld, hoor. Hij heeft het meestal niet zo druk.’ De volgende dag al spreek ik Kawtharani over de politieke situatie in Libanon. Hij maakt korte metten met Hezbollahs politieke vijanden, zoals de pro-westerse Gemayels. ‘Zij willen een Amerikaans Libanon,’ briest hij. ‘Wij een Arabisch Libanon. Kijk wat de Amerikanen hebben gedaan in Irak!’

Hé, zat hij toen al met zijn hoofd bij Irak?

Na afloop besluit ik een taxi te nemen naar het chateau van de familie Gemayel in het dorp Bikfaya. Die avond zullen duizenden aanhangers daar hun steun betuigen aan Amin Gemayel, de vader van de vermoorde Pierre en voormalig president van Libanon. De christelijke Gemayels zijn de Kennedy’s van Libanon: een prominente dynastieke familie met een rijk politiek verleden en evenzeer geplaagd door onheil. Bashir Gemayel, Amins enige broer, is in 1982 vermoord, vlak voor zijn beëdiging als president. Nu begraaft hij zijn zoon Pierre.

Souvenirs niet welkom

Een taxi regelen vanuit Hezbollah-gebied naar Bikfaya is lastig. Gemayel-aanhangers houden Hezbollah verantwoordelijk voor de moord. Geen Hezbollahi is vandaag veilig in Bikfaya. Gelukkig blijkt een koffieverkoper bereid. Hij geeft me zijn laatste kop koffie van die dag, sluit zijn tentje en belt een vriend met de vraag of hij diens auto kan lenen. ‘Maar die gaat niet mee,’ zegt hij wijzend op een Hezbollah-vlag die ik heb gekocht als souvenir. ‘Als ze die ontdekken, hangen ze me direct op aan een lantaarnpaal.’

Die avond sta ik tussen duizenden woedende Gemayel-aanhangers. Zij staan in de rij om de ouders te condoleren. In de verte staan de asgrauwe Amin Gemayel en zijn vrouw Joyce met rode ogen van het huilen. Ze hebben de verweesde blikken van poppenkastpoppen die worden bespeeld in een drama dat ze niet bevatten. Natuurlijk heb ik Kawtharani die middag gevraagd naar de moord op Pierre. ‘Alleen God weet wie erachter zit,’ had de latere ‘man van tien miljoen’ zonder een zweem van cynisme verklaard. ‘Maar voor de Gemayel-familie is het natuurlijk heel verdrietig. Hezbollah heeft zijn condoleances overgebracht.’

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.