Marijn Jongsma

Corona drijft vooralsnog alleen gevoelsinflatie op

11 juni 2020

Wat betekent de coronacrisis voor het inflatiecijfer? Diverse krachten werken elkaar tegen. Maar de gevoelsinflatie zou wel eens kunnen oplopen, schrijft Marijn Jongsma.

Marijn Jongsma

Marijn Jongsma (1969) is economisch redacteur bij Elsevier Weekblad. Hij blogt wekelijks op donderdag over financieel- en macro-economische onderwerpen

Op het eerste gezicht lijkt het gemiddelde prijspeil in Nederland zich vrij gematigd te ontwikkelen. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waren goederen en diensten in mei gemiddeld 1,2 procent duurder dan  een jaar eerder, hetzelfde percentage als in april en ruim onder de doelstelling van de Europese Centrale Bank (die mikt op een inflatie onder, maar dicht bij de 2 procent).

De trend is een dalende inflatie

In 2019 lag de Nederlandse geldontwaarding nog stelselmatig boven de 2 procent, maar dat was het directe gevolg van de verhoging van het lage btw-tarief van 6 naar 9 procent. Per 1 april 2020 is de accijns op sigaretten en shag verhoogd, maar de invloed daarvan zal beduidend minder zijn. Bovendien zijn benzine en diesel een stuk goedkoper geworden, wat veel meer gewicht in de schaal legt.

Het leven wordt dus minder snel duurder – een meevallertje in zware tijden. De Nederlandsche Bank (DNB) verwacht dat de inflatie de komende jaren verder terugvalt tot onder de 1 procent, om daarna weer licht te stijgen tot ongeveer 1,5 procent.

Inflatie meten is weten, maar hoe?

Maar hoe meet je inflatie in coronatijd? In mei lagen vliegtuigmaatschappijen en restaurants zo goed als stil, en voor een betrouwbare prijsmeting heeft het CBS transacties nodig. Van circa 12 procent van de consumptieve bestedingen moesten de prijzen worden geschat. Soms is gekeken naar vergelijkbare producten, soms naar de prijsstijging van een jaar geleden. Of er werd simpelweg van uitgegaan dat de prijzen gelijk bleven.

‘Pas wanneer vliegtuigen weer opstijgen en restaurants gasten ontvangen, wordt duidelijk wat met de prijzen van hun diensten gebeurt,’ schrijft DNB in de nieuwste Economische Vooruitzichten. De coronacrisis heeft het voorspellen van inflatie er ook niet eenvoudiger op gemaakt, aangezien er van zowel inflatoire als deflatoire krachten sprake is.

Bedrijven maken in de anderhalvemetereconomie ook extra kosten, bijvoorbeeld doordat ze simpelweg meer ruimte per klant nodig hebben (denk aan restaurants) of doordat ze vanwege de grote onzekerheid meer voorraden gaan aanhouden. Rekenen ze die meerkosten door, dan betekent dat een hogere inflatie. Maar daar staat tegenover dat er sprake is van een recessie door de afgenomen vraag (iets wat wordt versterkt door een oplopende werkloosheid), en dat zorgt juist voor  druk op de prijzen. Zo is de ingeklapte olieprijs het directe gevolg van de coronacrisis.

Gevoelsinflatie als barometer

De prijsontwikkelingen zullen ongetwijfeld van sector tot sector verschillen. Veel kappers hebben hun prijzen al verhoogd. Zolang dat de enige dienst is die behoorlijk duurder wordt, is dat nauwelijks terug te vinden in het inflatiecijfer. Maar hier komt de term gevoelsinflatie om de hoek: de gemiddelde consument ervaart prijsstijgingen vooral bij producten of diensten die direct worden afgerekend, en waarvan hij de prijzen redelijk goed kent.

De gevoelsinflatie ligt per definitie hoger dan de ‘echte’ inflatie: we voelen de pijn van een duurder biertje en verrekenen dat niet met de gedaalde prijzen van incidenteel aangekochte computers en tv’s en de lagere prijs aan de pomp. Precies dat gebeurde toen de euromunten en -bankbiljetten in 2002 werden ingevoerd (de girale euro bestond toen al 3 jaar): horecazaken maakten gebruik van de aanvankelijke onbekendheid met de nieuwe munt en verhoogden hun prijzen.

Inflatie? Vooral op de beurs en de huizenmarkt

De gevoelsinflatie ten spijt heeft corona de economie een dermate harde klap gegeven dat een substantieel hogere (laat staan ontsporende) ‘officiële’ inflatie er voorlopig niet in lijkt te zitten. Na de kredietcrisis vreesde menige econoom voor een stevige geldontwaarding doordat de centrale banken de geldpersen op volle toeren lieten draaien om deflatie te voorkomen. Meer geld op jacht naar dezelfde hoeveelheid goederen: het is het klassieke recept voor oplopende inflatie.

Ook nu hebben de monetaire autoriteiten de sluizen weer wijd opengezet. De al jaren lage rente heeft dit keer niet geleid tot veel duurdere boodschappen, maar vooral tot hogere huizenprijzen en aandelenkoersen. Dit type inflatie (geen onderdeel van de klassieke consumentenprijsinflatie) maakt de haves rijker, terwijl instappen voor de have nots steeds moeilijker wordt.

De beurzen hebben inmiddels een wilde rit achter de rug door de coronacrisis, terwijl de huizenmarkt zich aan de malaise lijkt te onttrekken. DNB voorziet voor 2021 en 2022  slechts bescheiden prijsdalingen als gevolg van de oplopende werkloosheid, met respectievelijk ruim 2 en bijna 4 procent. Het is wennen na zeven vette jaren op de huizenmarkt, maar zeker in de Randstad is dit verwachte ‘deflatiescenario’ niet meer dan kwakkelen op hoog niveau.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.