Leo Kwarten

Zo veilig is het niet om in Syrië loyale oppositie te zijn

09 juni 2020

De Syrische president Bashar al-Assad maakte dankbaar gebruik van de ‘loyale oppositie’. Die zou het bewijs zijn dat vreedzaam protest tegen het Syrische regime mogelijk is. Maar hoe veilig was het nu echt voor de leden van die oppositie, vraagt Leo Kwarten zich af.

Leo Kwarten

Leo Kwarten is arabist en antropoloog. Als zelfstandig gevestigd adviseur werkt hij voor bedrijven die opereren in het Midden-Oosten. Daarnaast publiceert hij over politiek en religie in de regio.

Om er te komen, loop je langs het Hijaz-treinstation in het centrum van Damascus. Ten tijde van de Ottomanen vertrok van hieruit de trein naar Medina. Later namen Damascener gezinnen hier op vrijdag de boemel naar de Barada-vallei om er te gaan picknicken. Of mannen gingen er arak hijsen in de cafés aan de rivier. Toen in 2011 de oorlog uitbrak, stopte de stoomtrein maar sinds 2017 rijdt hij weer. Bij het theeterras op de hoek, waar de clientèle bestaat uit oude baasjes en onderbetaalde regeringsspionnen die vreugdeloos in hun glaasje roeren, sla je rechtsaf en dan direct weer links, de Fakhri al-Baroudistraat in.

Na 300 meter, onder een bladderend uithangbord met daarop in Arabische sierletters ‘Advocaat Hassan Abd al-Azim’, loop je in een stinkend trappenhuis naar de eerste verdieping. Een afspraak maken is niet nodig. De advocaat, een fragiele 88-jarige varaan met een mobiel ondergebit, heeft altijd tijd. Kom niet te vroeg, want dan is hij nog niet op dreef. Dan articuleert hij moeilijk en spettert tijdens het spreken, wat gênant wordt als hij besluit bij wijze van ontbijt een komkommer te eten. Mag ik u voorstellen: het kopstuk van de binnenlandse oppositie in Syrië.

Binnenlandse oppositie in Syrië?

Jawel, ook al denken we bij ‘Syrische oppositie’ eerder aan de gewapende rebellen die standhouden in de door het leger van Assad belegerde regio Idlib. Of aan de zelfverklaarde oppositieleiders in hun maatpakken die naar Istanbul en Parijs zijn gevlucht en zich door de Verenigde Staten, Turkije, de Golfstaten – ja, door wie niet? – lieten pamperen in vijfsterrenhotels maar niets bereikten voor het Syrische volk. Of aan de moedige betogers van het eerste uur, die door de geheime dienst werden afgevoerd in afgedankte trucks waar het logo van supermarkt Aldi nog op stond en die sindsdien spoorloos zijn.

Toch is er tijdens de oorlog in Syrië altijd een binnenlandse oppositie geweest. Zo is Abd al-Azim de leider van de National Coordination Committee for Democratic Change (NCC), een coalitie van voornamelijk linkse partijtjes gevormd in juni 2011. De opstand was toen een paar maanden oud en werd steeds gewelddadiger. In tegenstelling tot het Vrije Syrische Leger en de oppositie in het buitenland, geloofde de NCC niet in de gewapende strijd tegen het regime maar in dialoog. Ofwel, praten met Assad over democratie, een nieuwe grondwet en berechting van zijn wrede beulsknechten.

Hoe naïef kun je zijn als ‘loyale oppositie’?

Naïef, vond de gewapende oppositie. Daarom zette zij de NCC weg als ‘loyale oppositie’, die was geïnfiltreerd door het regime en waarmee men niet gezien wilde worden. Menig journalist nam die inschatting kritiekloos over, zodat Abd al-Azim in zijn kantoortje aan de Fakhri al-Baroudistraat doorgaans weinig bezoek kreeg.

Voor Assad was de NCC inderdaad nuttig. Hij kon de buitenwereld voorspiegelen dat oppositie voeren in Syrië wel degelijk was geoorloofd en dat geweldloze critici – dus geen terroristen die spandoeken vasthielden – echt niet per Aldi Express werden afgevoerd.

Desondanks ging het weleens mis. Zoals in september 2012, toen een aantal NCC-leden terugkeerde uit Peking met een ambitieus plan voor ‘politieke transitie’ in Syrië. Na hun arrestatie op de luchthaven van Damascus is nooit meer iets van ze vernomen.

Of neem Raja al-Nasser, die op de verdieping boven Abd al-Azim kantoor hield. Urenlang sprak hij met me over de situatie in Syrië, gezeten onder een portret van zijn held Gamal Abd al-Nasser, de leider van het Arabisch nationalisme. Van een goedaardige salonpoliticus als Raja ging evenveel politieke dreiging uit als van Winnie de Pooh.

Toch werd hij twee maanden na ons gesprek op straat gearresteerd en weggevoerd. Ook van Raja werd nooit meer iets gehoord. Zo veilig is het dus om in Syrië ‘loyale oppositie’ te zijn. En dus besluit ik bij Abd al-Azim langs te gaan of te vragen hij of informatie heeft over zijn NCC-collega. Zijn antwoord komt al voordat ik mijn vraag heb kunnen stellen. ‘O, die is dood,’ zegt hij, schijnbaar zonder emotie. Om er meteen aan toe te voegen: ‘Neem me niet kwalijk als ik even ga bidden. We praten zo verder. Drink rustig je thee op.’

In het halfduister verricht Abd al-Azim zijn gebed, zwijgend en dan weer prevelend. Bij elke ruk’a –knieling – kraakt en puft zijn oude lijf als het stoomtreintje naar de Barada-vallei op vrijdag. Ook een relict uit een lang vervlogen verleden.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.