Ingezonden opinie

Diversiteitsbeleid en de dreiging van ‘academische cancel culture’

28 juli 2020

In 2019 stelde Sylvana Simons voor om de wiskunde te ‘dekoloniseren’. Haar voorstel werd toen afgewezen – en terecht. Echter, onder invloed van de recente Black Lives Matter-beweging en de strijd tegen (vermeend) institutioneel racisme, zijn voorstellen zoals dat van Simons destijds steeds vaker te horen en worden deze ook steeds serieuzer genomen, schrijft Raisa Blommestijn.

Raisa Blommestijn (1994) is werkzaam als docent/onderzoeker aan de afdeling Encyclopedie van de rechtswetenschap, Universiteit Leiden. Zij werkt aan een proefschrift over de Weimarrepubliek en het verval van de democratische staatsvorm.

 

Ingezonden opinieartikelen worden geselecteerd door de redactie, maar vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs het standpunt van Elsevier Weekblad.

Dit gaat gepaard met (voorstellen tot) het invoeren van diversiteitsbeleid en het tot stand brengen van een ‘inclusieve leeromgeving’. Echter, de dekolonisatie van het lesprogramma, het voorgestelde diversiteitsbeleid, en deze ‘inclusieve leeromgeving’ zijn niet zonder gevaar. Onder het mom van de strijd tegen (vermeend) institutioneel racisme dreigt namelijk een academische cancel culture.

In het publieke debat zijn de gevolgen van de cancel culture inmiddels alom zichtbaar. In een eerder opiniestuk omschreef ik de cancel culture als een vorm van intimidatie (bijvoorbeeld een oproep tot ontslag) of uitsluiting die optreedt als iemand een mening verkondigt die afwijkt van het huidige discours van wokeness. Hierbij valt te denken aan de oproep tot het cancelen van J.K. Rowling en haar boeken nadat zij betoogde dat mensen die menstrueren aangeduid dienen te worden als vrouwen of de boycot van het racismedebat uitgezonden bij de NPO toen bekend werd dat dit zou worden geleid door Jort Kelder. Inmiddels zijn deze voorbeelden bij de meeste mensen bekend, en lijkt het debat rondom de cancel culture en de vrijheid van meningsuiting in Nederland na de publicatie van de ‘open brief ter verdediging van het vrije debat’ (in drie dagen door bijna 13.000 mensen getekend, een initiatief van Bart Collard en ondergetekende), op brede schaal ontketend.

Cancel culture en academische vrijheid

Dit geldt niet voor de discussie wat betreft de relatie tussen cancel culture en academische vrijheid. Deze discussie is echter wel belangrijk om te voeren, omdat onder invloed van woke-activisten een academische cancel culture in de hand wordt gewerkt. Met deze tekst beoog ik het debat over deze academische cancel culture aan te zwengelen.

Ten eerste is het belangrijk om vast te stellen wat academische vrijheid betekent. Academische vrijheid zou ik duiden als de mogelijkheid tot het doen van wetenschappelijk onderzoek en, daarmee, de onbegrensde vrijheid tot het stellen van kritische vragen over alle denkbare onderwerpen. Juist op een universiteit zou het debat over elk onderwerp, op het scherpst van de snede, moeten kunnen worden gevoerd. De Universiteit Leiden, mijn werkgever, voert hiertoe zelfs het motto Praesidium Libertatis (bolwerk van vrijheid), hetgeen bij uitstek wijst op het belang van een open en vrij debat. Kortom, gesteld kan worden dat de academische vrijheid niet alleen een vorm van vrijheid van meningsuiting is, maar zelfs nog een stap verder gaat dan de vrijheid van meningsuiting in het publieke debat: de academische vrijheid is immers gericht op het vergaren van wetenschappelijke kennis en dient hiermee bij uitstek niet gehinderd te worden of beperkt te zijn.

Cancel culture beperkt debat

Nu richt de cancel culture zich juist op het voorkomen, ontmoedigen of bestraffen van het uiten van bepaalde opvattingen, namelijk opvattingen die ingaan tegen het huidige discours van wokeness. Ook op een universiteit kunnen zich dergelijke opvattingen aandienen. Neem nu de volgende vraag: kunnen vrouwen menstrueren of kun je ook een vrouw zijn als je niet in staat bent om te menstrueren? Juist op een universiteit, waar definities worden bevraagd en wetenschappelijke kwesties aan de orde komen, zou de discussie omtrent het duiden van het vrouwelijk geslacht in brede zin moeten kunnen worden gevoerd. Bijvoorbeeld bij een vak dat wordt gegeven aan de rechtenfaculteit, waarbij de definitie ‘vrouw’ potentiële gevolgen kan hebben voor wetgeving, maar te denken valt ook aan een vak bij de studie biologie: wat maakt immers dat iemand in biologische zin een vrouw is?

Nu hebben we kunnen waarnemen wat er gebeurde toen Rowling in het publieke debat te berde bracht wat volgens haar een vrouw is (namelijk: iemand die menstrueert). Allerhande bekende en minder bekende personen riepen op tot het cancelen van Rowling en haar boeken. Nu is dit op zichzelf al, op zijn zachtst gezegd, onwenselijk. Het wordt echter nog problematischer als de discussie omtrent het duiden van het vrouwelijk geslacht ook op de universiteit niet meer kan worden gevoerd – als, met andere woorden, cancel culture verwordt tot academische cancel culture.

Academische cancel culture wordt niet kritisch bevraagd

Staat het voeren van dergelijke discussies op de universiteit dan onder druk? Ik ben van mening dat het gevaar van academische cancel culture dreigt wanneer de waar te nemen trend van (voorstellen tot) diversiteitsbeleid aan de universiteiten niet kritisch wordt bevraagd. Nu denkt u wellicht: diversiteitsbeleid, daar is toch niets mis mee? Zo betoogden in elk geval historicus Han van der Horst enerzijds en Ruard Ganzevoort, hoogleraar en tevens Chief Diversity Officer aan de Vrije Universiteit Amsterdam, anderzijds.

Lees ook de ingezonden opinie van Sujet Shams, die deelnam aan het NPO-racismedebat: ‘Discussie over racisme is enorm uit de hand gelopen’

Hun beider betoog komt er kort gezegd op neer dat diversiteitsbeleid nodig is om ‘gemarginaliseerde groepen’ (zo noem ik ze voor het gemak even) toegang te verschaffen tot de universiteit en ervoor te zorgen dat deze groepen zich thuis voelen aldaar. Indien dergelijk beleid niet wordt gevoerd, gaat veel talent verloren, zo zeggen zij. Wie precies tot voornoemde groepen behoort, wordt door beide heren niet specifiek aangegeven, maar in de praktijk komt het neer op uiteenlopende categorieën, zoals de voor de hand liggende seksuele oriëntatie, gender, nationaliteit en etniciteit maar bijvoorbeeld ook leeftijd, gezondheid, beperkingen en sociaal-economische achtergrond.

Zo voorgesteld klinkt het diversiteitsbeleid wellicht sympathiek: eenieder moet zich thuis voelen op en toegang hebben tot de universiteit – dit alles gericht op het aanspreken van een zo groot mogelijke groep talent. De universiteit als ‘inclusieve leeromgeving’. Maar er schuilt ook een gevaar in het voeren van diversiteitsbeleid. Dergelijk beleid, en hiermee het creëren van de inclusieve leeromgeving, kan er namelijk toe leiden dat de academische vrijheid onder druk komt te staan. Hoewel van alle kanten wordt benadrukt dat het open debat gegarandeerd blijft – en de kansen hiertoe zelfs toenemen, aldus Ganzevoort – wordt wel erg gemakkelijk voorbijgegaan aan de mogelijkheid dat het open debat juist zal worden beperkt door het voorgestelde diversiteitsbeleid.

Zo rijst de vraag wat wordt bedoeld met ‘thuis voelen aan de universiteit’. Betekent dit dat iemand zich gevrijwaard weet van potentieel kwetsende opmerkingen? Betekent dit dat wanneer een potentieel kwetsende opmerking wordt geuit een student of docent dit aan de orde kan stellen, bijvoorbeeld bij de diversiteitsofficier? Indien dit laatste het geval is, dreigt eenzelfde soort cancel culture die we in het maatschappelijk debat waarnemen, maar dan op de universiteit. Ergo, er dreigt een academische cancel culture.

Gekrenkte gevoelens van gemarginaliseerde groepen

Laat ik dit toelichten aan de hand van een voorbeeld: stel er wordt college gegeven over de rechten van transgenders en de al eerdergenoemde vraag komt aan de orde wanneer iemand nu een vrouw is – een vraag die an sich legitiem is, lijkt me, met betrekking tot dit onderwerp. Vervolgens stelt een student of docent, naar het voorbeeld van Rowling, voor dat een ‘vrouw’ moet worden gedefinieerd als ‘iemand die menstrueert’. Ook dit is wederom legitiem, lijkt me, aangezien het krijgen van kinderen – en dus menstrueren – een van de belangrijkste biologische kenmerken van het vrouwelijk geslacht is.

Het kan echter zijn dat er in dezelfde collegezaal een transgender aanwezig is, die zich identificeert als vrouw maar niet in staat is te menstrueren (hoe jammer we dit wellicht ook vinden, is dit namelijk nog niet te realiseren tegenwoordig). Het kan ook zijn dat deze transgender zich dientengevolge gekwetst voelt of dat een woke studiegenoot de opmerking als potentieel kwetsend beschouwt. De transgender of de woke studiegenoot kan dan besluiten dit aan de kaak te stellen door bijvoorbeeld een melding te maken bij de diversiteitsofficier die is aangesteld om een ‘veilig klimaat’ op de campus te waarborgen.

Dit (hypothetische) voorbeeld staat niet op zichzelf. Wat te denken van een discussie over het al dan niet beperken van de rol van religie in de publieke ruimte (wellicht op te vatten als islamofobie) of het bevragen van de rol van vrouwen in het gezin (wellicht op te vatten als seksisme)? Ook dergelijke discussies kunnen leiden tot gekrenkte gevoelens van gemarginaliseerde groepen of hun woke studiegenoten. We moeten de vraag stellen in welke richting het academisch debat zich ontwikkelt wanneer klachten of goedbedoelde suggesties volgen op het voeren van dergelijke academische discussies of wanneer alleen al de mogelijkheid wordt geboden tot het indienen van deze klachten of het aandragen van deze goedbedoelde suggesties.

Ik wil hierbij specifiek wijzen op gevallen waarin het indienen van dit soort klachten leidt tot de ‘vervolging’ (het instellen van een procedure) van de docent of medestudent die de (vermeend) ‘kwetsende’ uiting deed. Daarnaast wil ik erop attenderen wat het instellen van een dergelijke klachtprocedure mogelijk tot gevolg heeft – zelfs nog voor de afronding ervan – voor de ‘verdachte’ medestudent of docent: het kan leiden tot stigmatisering en is hiermee potentieel zeer schadelijk voor de reputatie van de desbetreffende docent of student. In het ergste geval zou de procedure zelfs kunnen uitmonden in de beslissing tot ontslag.

Gevaar voor academische vrijheid

Tot slot wil ik wijzen op de gevolgen die bovengenoemde ontwikkelingen hebben voor andere studenten of docenten. Durven zij hun (veelal conservatieve) opvattingen nog te uiten op de campus wanneer zij zien dat anderen worden ‘vervolgd’ vanwege het doen van soortgelijke uitingen? Durven zij hun mening nog te verkondigen wanneer hen potentieel een klachtprocedure boven het hoofd hangt? Kort door de bocht: is er nog wel plaats voor een non-woke geluid op de universiteit als dergelijk diversiteitsbeleid wordt gevoerd?

Zo bezien dreigt een academische cancel culture. Deze cancel culture wordt verder in de hand gewerkt door de ‘zuivering van het curriculum’. In de Verenigde Staten zijn hiervan voorbeelden te over, maar ook in Nederland zijn er inmiddels zorgelijke ontwikkelingen waar te nemen: zo worden voorstellen gedaan om de voorgeschreven literatuur op de leeslijst aan te passen, omdat er te weinig boeken van ‘zwarte auteurs’ op staan en wordt er gepleit voor ‘streefcijfers voor onderzoekers van kleur’. Er wordt zelfs een begin gemaakt met het opstellen van een nieuwe filosofische canon om zo westerse filosofen te laten plaatsmaken voor hun niet-westerse beroepsgenoten. Daarnaast was al eens de roep te horen om Paul Cliteur te weren van de Rijksuniversiteit Groningen en Jordan Peterson de toegang tot de Universiteit van Amsterdam te ontzeggen, omdat hun denkbeelden een groep studenten onwelgevallig waren.

Tot slot wordt gewerkt aan ‘opvoedcursussen’ om het wetenschappelijk personeel bewust te maken van zijn ‘vooroordelen’. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van een tendens die meer en meer aan invloed lijkt te winnen onder invloed van de recente opkomst van de Black Lives Matter-beweging en de bestrijding van (vermeend) institutioneel racisme. Een tendens die, als het aan de voorstanders ligt, uitmondt in de volledige dekolonisatie van het curriculum, waarvoor veel meer nodig is dan het vervangen van enkele boeken of docenten, maar waar alle invloed van het koloniaal verleden moet worden uitgebannen tot aan wiskunde en logica aan toe.

Er kan niet worden ontkend dat hiermee een gevaar ontstaat voor de academische vrijheid. Een gevaar waar we niet te gemakkelijk aan voorbij moeten gaan. De voornoemde voorbeelden maken mijns inziens duidelijk dat diversiteitsbeleid, gericht op het waarborgen van een klimaat van veiligheid op de campus, paradoxaal genoeg kan omslaan in de richting van onveiligheid. Onveiligheid om een non-woke mening te uiten en de hiermee samenhangende collectieve verkramping waarbij studenten en docenten bang worden om hun mening te uiten, omdat die anderen wel eens onwelgevallig zou kunnen zijn en het wel uiten ervan kan worden gevolgd door een klachtprocedure. En hiermee stopt het niet: wat te denken van lesmateriaal waarin voorbeelden of thema’s zijn opgenomen die wellicht kwetsend kunnen zijn? Tentamenvragen waarbij bepaalde ‘kwetsende’ namen of termen worden gebruikt? Een docent waardoor gemarginaliseerde groepen zich niet vertegenwoordigd voelen? De lijst met onderwerpen is eindeloos en de invloed van de diversiteitsofficier op de universiteit potentieel onbegrensd. De conclusie luidt dan ook we kritisch moeten blijven op het voorgestelde diversiteitsbeleid en moeten waken voor de academische cancel culture. De belangrijkste diversiteit – die van opinies – mag niet worden geofferd onder het mom van diversiteit en inclusie.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.