Raisa Blommestijn

Waarom de strijd tegen de ‘cancel culture’ zo belangrijk is

19 juli 2020

De open brief ter verdediging van het vrije debat, opgesteld door twee onderzoekers aan de rechtenfaculteit van de Universiteit Leiden, is sinds donderdag 16 juli meer dan 12.000 keer ondertekend. Raisa Blommestijn, een van de twee opstellers van het manifest, kreeg de afgelopen dagen veel over zich heen. In dit ingezonden opiniestuk legt ze uit waarom de strijd voor de vrijheid van meningsuiting en tegen de zogeheten cancel culture noodzakelijk is.

Afgelopen week werd ik geconfronteerd met intimidatie, ‘fanmail’, hijgers, vrienden die foto’s met mij van sociale media verwijderden en hackpogingen. Daarnaast werd mijn werkgever, de Universiteit Leiden, veelvuldig opgeroepen tot het opleggen van een beroepsverbod. Dat alles omdat ik zondag 12 juli te gast was bij het racismedebat op NPO1 en vervolgens op 16 juli samen met mijn collega-promovendus Bart Collard een ‘open brief ter verdediging van het vrije debat‘ publiceerde. Deze brief werd aanvankelijk door ongeveer negentig academici, opiniemakers en anderen getekend.

Raisa Blommestijn (1994) is werkzaam als docent/onderzoeker aan de afdeling Encyclopedie van de rechtswetenschap, Universiteit Leiden. Zij werkt aan een proefschrift over de Weimarrepubliek en het verval van de democratische staatsvorm.

 

Ingezonden opinieartikelen worden geselecteerd door de redactie, maar vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs het standpunt van Elsevier Weekblad.

Ik kreeg na afloop van de publicatie van de brief veelvuldig de vraag waarom ik het initiatief heb genomen. In deze tekst zet ik mijn beweegredenen uiteen. Ik wil hierbij benadrukken dat dit gaat om mijn persoonlijke beweegredenen en ervaringen – zowel voorafgaand aan het opstellen van de brief als na de publicatie ervan. Het gaat dus niet om een tekst namens een ‘collectief’ of namens ‘de ondertekenaars’. In eerste instantie omdat er geen collectief bestaat – iedereen tekende afzonderlijk de brief, zonder te weten wie al had ondertekend – en daarnaast omdat ik enkel verantwoordelijk wens te worden gehouden voor mijn eigen overtuigingen en uitspraken.

Het idee werd geboren na de publicatie van de Harper’s Letter

Het idee voor het initiatief werd geboren na de publicatie van de Harper’s Letter waarin onder anderen schrijfster J.K. Rowling afstand neemt van de cancel culture: een fenomeen dat ik zou duiden als intimidatie (bijvoorbeeld een oproep tot ontslag) of uitsluiting van iedereen die een mening verkondigt die afwijkt van de dominante trend van wokeness of die daarbij kritische kanttekeningen plaatst. Zo werd Rowling ‘gecanceld’ omdat zij meent dat er een woord bestaat om ‘mensen die menstrueren’ te beschrijven (ergo: vrouwen).

Uw cookieinstellingen laten het tonen van deze content niet toe. De volgende cookies zijn nodig: marketing. Wijzig uw instellingen om deze content te zien.

Ze kreeg een storm van kritiek te verduren. Bekende en minder bekende mensen ‘namen afstand’ van haar opvattingen en gaven aan het te betreuren dat de schrijfster van hun geliefde Harry Potter-boeken ‘transfoob’ zou zijn. De vraag kwam zelfs op of haar boeken niet ook ‘gecanceld’ moesten worden.

Ook in Nederland zijn dergelijke tendensen te bespeuren. Zo werden sponsors van het programma Veronica Inside opgeroepen te stoppen met de financiering van het programma na een ‘foute grap’ van Johan Derksen[7] en riep Black Renaissance op tot een boycot – het ‘cancelen‘ – van het racismedebat onder leiding van Jort Kelder. Dat laatste blijkt tekenend voor een deel van de Black Lives Matter-activisten: iedereen met een ‘witte’ (waag het niet ‘blanke’ te zeggen) huidskleur – die lijdt aan ‘witte psychose‘ – wordt uitgesloten van deelname aan het debat, of beter gezegd: het gesprek, over racisme.

Lees ook de ingezonden opinie van Sujet Shams, die ook deelnam aan het NPO-racismedebat: ‘Discussie over racisme is enorm uit de hand gelopen’

Ik zag bovengenoemde tendens met lede ogen aan. Niet alleen de recent opgekomen cancel culture, maar ook de druk die wordt uitgeoefend op een bedrijf als Bol.com om te stoppen met de verkoop van bepaald materiaal en het schrappen van scènes uit films als Gooische Vrouwen beschouw ik als potentieel gevaarlijke ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen berusten op de gedachte dat bepaalde ‘kwetsbaren’ – of het nu mensen zijn met een donkere huidskleur of andere groepen – zo veel mogelijk ontzien moeten worden.

We zijn doorgeslagen in het faciliteren van (vermeend) ‘kwetsbaren’

Nu lijkt er op het eerste gezicht niet zo veel mis mee te willen voorkomen dat iemand wordt gekwetst, zeker als dit gebeurt vanuit een morele opvatting dat het onnodig is iemand te beledigen. We lijken echter op een punt gekomen dat we zijn doorgeslagen in het faciliteren van (vermeend) ‘kwetsbaren’.

Er wordt te veel toegegeven aan de – meest bizarre – eisen van een kleine groep radicale activisten. Onder het mom van het idee dat racisme, seksisme, transfobie of xenofobie – de lijst is lang – verkeerd zijn (hetgeen ik uiteraard niet ontken), zijn we geneigd toe te geven aan deze radicale activisten zonder nog kritische vragen te stellen. Bijvoorbeeld: wie zijn deze activisten? Wat eisen ze van ons en van de maatschappij? Kloppen de aantijgingen van deze activisten wel?

Ik bespeur een tendens waarin het al ‘verdacht’ is deze vragen te stellen en we geneigd zijn om (letterlijk) op onze knieën te gaan in plaats van de eisen van deze radicalen helder onder de loep te nemen. Elke vorm van redelijkheid dreigt dientengevolge plaats te maken voor een collectieve waanzin waarin enerzijds de taal en onze instituties gezuiverd moeten worden, en er anderzijds een collectieve verkramping ontstaat waarin mensen in toenemende mate bang zijn zich uit te spreken tegen de eisen van de radicalen.

Deze collectieve waanzin en verkramping hebben vergaande gevolgen voor de vrijheid van meningsuiting. Zoals ik hierboven al aanstipte, wordt het in toenemende mate onmogelijk om kritische vragen te stellen. Naar aanleiding van BLM-activisme ontstond een (vrij letterlijke) vorm van zwart-wit-denken: of je bent tegen racisme, en dan neem je de eisen van de radicalen onder de BLM-activisten klakkeloos over, of je bent een racist. Meer smaken lijken er niet meer te zijn.

Nederland ‘institutioneel racistisch’? Daar is geen bewijs voor

Uit angst om voor racist te worden uitgemaakt (of als gevolg van een gebrek aan kritisch denkvermogen), horen we allerhande personen het jargon van de radicale activisten overnemen. Zo stellen zij zich, net als de activisten, op het standpunt dat ‘Nederland institutioneel racistisch‘ zou zijn. Hoewel er inderdaad enkele voorbeelden zijn waarin potentieel sprake kan zijn van institutioneel racisme (denk aan de voorvallen bij de Belastingdienst) is er naar mijn weten geen wetenschappelijk overtuigend bewijs van dit alomvattende institutionele racisme – in elk geval niet wat Nederland betreft.

Een dergelijk, onafhankelijk en objectief onderzoek is echter wel noodzakelijk om deze claim te onderschrijven. Het is namelijk nogal een beschuldiging: het zou betekenen dat onze democratische rechtsstaat, waarin grondrechten voor iedereen gelden, is gebaseerd op een vorm van ongelijkheid. Volgens mij is dat niet het geval: juist het gegeven dat, enerzijds de BLM-beweging alle ruimte krijgt om te demonstreren en anderzijds volksvertegenwoordigers zich onvermoeibaar inzetten om de problemen bij de Belastingdienst op te lossen, is illustratief voor het feit dat de grondrechten van onze democratische rechtsstaat voor iedereen gelden – ongeacht afkomst, ongeacht kleur, ongeacht seksuele voorkeur enzovoorts. Zoals het zou moeten zijn. Het tegendeel beweren, zou gepaard moeten gaan met grootschalig bewijs, dat vooralsnog – gelukkig maar – ontbreekt.

Toch is het ‘verdacht’ en zelfs gevaarlijk dit standpunt in te nemen. Als je dit standpunt inneemt en kritische vragen stelt, plaats je je buiten het heersende discours – en dat geldt voor iedereen die dit standpunt deelt. De activisten zullen je dit goed duidelijk maken en zullen proberen je, gesteund door allerhande media en ‘prominenten’, monddood te maken. Zij treden op als een soort rechter, vellen een oordeel over ‘goed’ en ‘fout’. Ben je ‘fout’ of is je vraag of standpunt ‘fout’, dan word je ‘veroordeeld’, ofwel ‘gecanceld’.

Die veroordeling krijgt meestal de vorm van het label ‘racist’ (of transfoob, seksist, en dergelijke), gevolgd door intimidatie en ‘aangifte’ bij de werkgever waarna in het ergste geval zelfs ontslag volgt. Soms wordt de intimidatie zo groot dat iemand zelf ontslag neemt, zoals journalist Bari Weiss recent deed bij The New York Times. Dit is zorgelijk, omdat het ten eerste doorgaans niet gaat om uitingen die de wettelijke grenzen overschrijden, en er geen sprake is van een veroordeling voor een uitingsdelict door een onafhankelijke rechter, maar door een verdachtmaking op sociale media of na een klacht bij een nog nader in te stellen (of reeds ingesteld) meldpunt.

Het is, met andere woorden, een vorm van private handhaving die ingaat tegen een van de belangrijkste waarden van de democratische rechtsstaat: de toetsing en veroordeling door een onafhankelijke rechter op basis van een objectief wettelijk kader. Het gaat in tegen de democratische rechtsstaat die juist zo belangrijk is als het gaat om de bescherming tegen werkelijk racisme, en die het recht op vrijheid van meningsuiting – een van de belangrijkste waarden – vastlegt en garandeert voor eenieder.

Uw cookieinstellingen laten het tonen van deze content niet toe. De volgende cookies zijn nodig: marketing. Wijzig uw instellingen om deze content te zien.

Na deelname aan racismedebat kreeg ik veel bagger over me heen

Lees ook dit commentaar van Gertjan van Schoonhoven: Goed dat NPO niet bezwijkt voor extremistische boycotcultuur tegen Kelder

Mijn zorgen namen fors toe nadat ik op zondag 12 juli had deelgenomen aan het racismedebat, geleid door Jort Kelder (de NPO hield prijzenswaardig de rug recht, Kelder werd niet ‘gecanceld’), en daar voor het eerst uitsprak wat het gevaar van deze radicale groepen kan zijn – voor de academische vrijheid, maar ook voor de vrijheid van meningsuiting in het algemeen. Ik kreeg, na het delen van een fragment van dertig seconden uit de uitzending op mijn Twitter-account, een ongekende lading bagger over me heen.

Mijn werkgever werd veelvuldig de vraag gesteld ‘waarom een racist aan de Universiteit Leiden doceert’, ik werd bestempeld als ‘Arische prinses’, maar ook als ‘seksrobot’ (‘hoewel die nog ergens goed voor zijn’), ‘schildmaagd van radicaal-rechts’ en ‘extreem-rechts’. Ik zou erger zijn dan Anders Breivik en werd verantwoordelijk gehouden voor zijn wandaden (lees: 77 doden en meer dan 300 gewonden). Er werden pogingen gedaan om mijn sociale media-accounts te hacken, er werden foto’s van mij gedeeld, ik werd op lijstjes met ‘verdachten’ gezet en geconfronteerd met hijgers. Hoe die laatsten aan mijn nummer zijn gekomen, is mij tot op heden een raadsel, maar dat terzijde.

Uw cookieinstellingen laten het tonen van deze content niet toe. De volgende cookies zijn nodig: marketing. Wijzig uw instellingen om deze content te zien.

Zelfs vrienden wilden geen foto’s met mij meer op sociale media

Tot slot vroegen mijn vrienden, zelfs goede vrienden die ik al meer dan tien jaar ken, om foto’s met hen van sociale media te verwijderen, bang als ze waren om slachtoffer te worden van dezelfde intimidatie. Ik was toen al bezig met de open brief, maar besefte des te meer hoe noodzakelijk het is dat deze brief er zou komen.

Bart Collard en ik benaderden een zo groot mogelijke groep personen. Ik heb zelf een week lang vrijwel dag en nacht gewerkt om de lijst zo compleet mogelijk te maken. Het viel me op dat vooral personen ‘aan de linkerkant van het politieke spectrum’ (zoals dat zo mooi heet) niet bereid waren om te tekenen. Maar niet omdat zij het oneens waren met de inhoud van de brief: zij waren bang om slachtoffer te worden van intimidatie wanneer zij met ‘rechtse mensen’ op de lijst zouden staan. Echter, niemand wist van tevoren wie er precies op de lijst stond: niet op het moment van ondertekening, en zelfs niet tot het moment van publicatie op die bewuste donderdagochtend. Toch bleek alleen al het vermoeden dat er één persoon uit het ‘rechtse kamp’ op de lijst zou staan voldoende om ondertekening te weigeren.

Uw cookieinstellingen laten het tonen van deze content niet toe. De volgende cookies zijn nodig: marketing. Wijzig uw instellingen om deze content te zien.

De namen vormden wederom het belangrijkste punt van discussie, nadat de lijst was bekendgemaakt. Bepaalde personen zouden ‘de lijst domineren’ en zo ieder ander op de lijst ‘verdacht maken’. Ironisch genoeg bleek de lijst zelf dus onderworpen aan het mechanisme waarvoor we in de tekst van de brief waarschuwen: de cancel culture, evenals de daarmee verbonden guilt by association.

Dat laatste betekent, kortweg, dat je banden hebt, hoe vaag ook, met een ‘fout’ persoon – in dit geval dat je dezelfde brief ondertekent als een ‘fout’ persoon – en je dus wordt geacht net zo ‘fout’ te zijn. Ook jij kunt worden ‘gecanceld’, geïntimideerd en belaagd. Zoals ik beschreef, werd ik al het slachtoffer van dergelijke intimidatie voordat de brief openbaar werd gemaakt, maar na de publicatie bereikte dit een hoogtepunt. Er zijn ontelbare intimiderende berichten gezet op Twitter, maar deze berichten vormen slechts het topje van de ijsberg en staan los van de berichten naar mijn werkgever, de ‘fanmail’, de hijgers, de verzoeken van vrienden tot verwijdering van foto’s van mijn sociale media, en de hackpogingen.

Ik extreem-rechts? Die verdachtmaking is nergens op gebaseerd

Lees ook dit spraakmakende opiniestuk van Ronald Buijt: ‘White privilege?’ Ik kniel voor niemand

Ik zou graag ingaan op de meest geuite verdachtmaking, namelijk dat ik ‘extreem-rechts’ zou zijn. Een standpunt dat niet alleen werd ingenomen door trollen op Twitter, maar ook werd geïmpliceerd door vooraanstaande hoogleraren en andere collega’s. Ik ben benieuwd waarop deze verdachtmaking is gebaseerd. Oprecht. Ik zou graag teksten van mijzelf – en ik benadruk: van mijzelf – willen zien waarin ik een extreem-rechts standpunt inneem, met andere woorden waarmee ik de democratische rechtsstaat ondermijn. Deze teksten volgen natuurlijk niet, simpelweg omdat ze niet bestaan.

Voor zoiets bewijs aandragen, is ook helemaal niet nodig: voor trollen, gesteund door ‘prominenten’, is het kennelijk genoeg dat ik op de lijst sta met ‘bepaalde personen’ – van wie het ‘extreem-rechtse’ ofwel ‘antidemocratische’ karakter overigens ook nooit door een onafhankelijke rechter is aangetoond. Dergelijke aantijgingen maken duidelijk hoe noodzakelijk het was om de open brief op te stellen. Mijn ervaringen – de oproep tot een beroepsverbod, de hijgers, de intimidatie – geven aan hoe noodzakelijk het is om de vrijheid van meningsuiting te verdedigen. Ook, en misschien wel juist, wanneer het gaat om een mening die afwijkt van het huidige maatschappelijk discours.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.