politiek

Van Rijn weet wat hij moet doen: het aanpakken van slechte zorg

Door Arthur van Leeuwen - 19 november 2014

Staatssecretaris Martin van Rijn (PvdA, Volksgezondheid) weet wat hem te doen staat: doorgaan met een zuiniger beleid, maar ernst maken met het aanpakken van zorginstellingen die onder de maat blijven. Zijn vader heeft groot gelijk.

Maak het persoonlijke politiek, en de sentimenten gaan regeren. Maak het politieke persoonlijk, en de vlam slaat in de pan. Dat moest staatssecretaris Van Rijn twee weken geleden ervaren.

Wellustig doken de media op het verhaal in het AD waarin Van Rijns vader en diens buurman getuigden van schrijnende omstandigheden in het verpleeghuis waar de moeder van de staatssecretaris verblijft. Met alle onfrisse details die onvermijdelijk blijken als de verpleging zich niet bekommert om een demente bejaarde.

Venijn

De dubbele boodschap van het kabinet ligt pijnlijk bloot: bezuinigen op ouderenzorg moet, maar er is ook het verwijt dat ouderen niet in veilige handen zijn.

Het venijn schuilt in het verbinden van de twee boodschappen tot dat ene verhaal over ‘urine die langs de enkels lekt’. Wat denkt het volk dan? Dit kabinet is bezig met een barbaarse operatie.

Zo verliezen de feiten het weer eens van de emoties. Daarom is het nuttig twee zaken te scheiden: er is het probleem van de kosten en de financiering, en er is het probleem van de zorgkwaliteit in verpleeghuizen en verzorgingshuizen.

Thuiszorg

Jaarlijks geven Nederlanders 14 miljard euro uit aan verpleeg- en verzorgingshuizen en aan thuiszorg. Daarvan gaat 9 miljard euro naar de verpleeg- en verzorgingshuizen.

Van het totaal wordt zo’n 12,5 miljard uit de AWBZ gefinancierd, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en de rest uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) die door de gemeenten wordt uitgevoerd.

Deze kosten zijn internationaal vergeleken onmatig hoog. Zweden staat met Nederland aan kop, met bijna drie keer zoveel uitgaven aan ouderenzorg als het gemiddelde van rijke westerse landen. In België en Duitsland bedragen de uitgaven de helft en een kwart van de Nederlandse.

Vriend en vijand

Het aandeel 65-plussers dat langdurige zorg geniet, is eveneens internationaal ongeëvenaard hoog: een op de vijf. En van hen is weer tweederde kennelijk afhankelijk van de zorg thuis. In het buitenland dragen particulieren bij, de ouderen zelf en hun kinderen. In Nederland komt de ouderenzorg vrijwel geheel voor rekening van het collectief.

Dat kan voor een land natuurlijk een principiële democratisch gefundeerde keuze zijn, maar dat is in Nederland ook weer niet het geval. Vriend en vijand van bezuinigingen op de zorg zijn het erover eens dat de uitgaven via de AWBZ (28 miljard euro), waaruit veel meer wordt gefinancierd dan de ouderenzorg, onbeheersbaar zijn.

Dit riep in het recente verleden bekende vragen op, zoals: kan een oudere zijn eigen rollator niet kopen, vroeger kon dat met de fiets toch ook? Moet iemand die het huis schoonmaakt uit collectieve middelen betaald? In de wetenschap dat iedere volwassen Nederlander ruim 5.000 euro per jaar aan zorgkosten betaalt – waarvan 13 procent stilletjes via het loonstrookje aan de AWBZ.

Woordje

De huidige onrust komt voort uit, zoals dat in het Haagse jargon heet, de ‘transitie’ naar nieuwe wetgeving en het overhevelen van taken naar gemeenten. Nederlanders krijgen vanaf 2015 te maken met drie wetten: de Zorgverzekeringswet voor ‘medische’ zaken, de Wet maatschappelijke ondersteuning met aanzienlijk uitgebreide taken voor de gemeenten en de nieuwe Wet langdurige zorg (Wlz).

Onder de laatste wet valt straks ook de ouderenzorg in verpleeg- en verzorgingshuizen. Daar komen alleen nog de zwaardere cliënten terecht. Voor de uitvoering daarvan is nog altijd 19,5 miljard euro gereserveerd.

Het grote probleem: ook in Den Haag bestaat onvoldoende zicht op de uitvoering. De Wlz is zelfs nog niet eens door de Eerste Kamer goedgekeurd – en na het verhaal over Van Rijns moeder zal daar nog wel een woordje vallen.

Ernstiger is dat gemeenten en de sector zelf de naaste toekomst ook niet kennen, en voor de zekerheid geld oppotten dan wel alvast aan het bezuinigen slaan, en – vooral in de thuiszorg – met ontslagrondes beginnen. De ene na de andere zorginstelling sluit kamers, of hele vestigingen.

Kwaliteit

Daar is de kwaliteit van de zorg wel degelijk in het geding. En die was al niet best. Dat blijkt uit een grondig rapport van de Inspectie in juni dit jaar. Het is niet het eerste alarmerende rapport, maar dit leest als een code rood.

Of het nu om medicatie gaat, hygiëne en behandeling bij incontinentie, om doorliggen – telkens blijkt slechts eenderde of hooguit de helft van de ‘intramurale’ zorg aan de eisen te voldoen.

Dat zet de reactie van zorginstelling WZH in Den Haag, waar de moeder van Van Rijn woont, in een schril daglicht: haar geval zou een uitzondering zijn. Dat nu weerlegt het hoofd van het Kwaliteitsinstituut, hoogleraar Diana Delnoij, afdoende in een blog op de website Skipr: uit de CQ-Index, een betrouwbaar instrument om patiëntervaringen te meten, blijkt dat WZH op zeven van de tien kwaliteitspunten faalt. Onder meer hygiëne en personele bezetting.

Van Rijn weet wat hem te doen staat: doorgaan met een zuiniger beleid, maar ernst maken met het aanpakken van zorginstellingen die onder de maat blijven. Zijn vader heeft groot gelijk.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.