Gerry van der List

Overheid moet terughoudend zijn bij opdringen van voorkeuren

Door Gerry van der List - 09 oktober 2014

Het net verschenen rapport Met kennis van gedrag beleid maken heeft een paternalistische toon. De overheid dient erg terughoudend te zijn in het opdringen van eigen voorkeuren en het aantasten van de verantwoordelijkheid voor het eigen gedrag.

Het schrijven van politiek-wetenschappelijke rapporten kan een frustrerende bezigheid zijn. De auteurs mogen meestal al blij zijn als hun inzichten hier en daar in de media enige aandacht krijgen en zien hun studie daarna doorgaans in een bureaula verdwijnen, zonder dat de voorgestelde beleidswijzigingen zijn doorgevoerd.

Maar soms maken beleidswetenschappelijke rapporten deel uit van een intellectuele stroom die, zonder dat het de buitenwacht opvalt, wel degelijk impact heeft op het gevoerde beleid. De kans daarop neemt toe als de schrijvers nauwe banden hebben met bestuurders.

Dit geldt misschien wel voor de recente studies over de politieke beïnvloeding van menselijk gedrag. Het kernwoord is hier ‘nudges’. Dit zijn zetjes in de goede richting, middelen om gewenst gedrag te stimuleren. Bedrijven maken hier al lang gebruik van in hun pogingen consumenten hun producten aan te smeren.

En nu wordt er steeds meer gepleit voor het inzetten van dit instrumentarium door de overheid. Zij kan bijvoorbeeld de consumptie van gezond voedsel aanmoedigen als tegenwicht tegen alle reclame voor calorierijk snoep. Het lijkt een nogal futiel, technocratisch onderwerp. Maar principieel interessant, en gevaarlijk, zijn de onderliggende gedachten van de rapportenschrijvers.

Nadruk

Eerder kwam hier al De verleiding weerstaan ter sprake, een studie van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO), die dit voorjaar is gepresenteerd. Het adviesorgaan etaleerde een sombere visie op de competentie van de burger. Die is vaak te dom of te lui om goede beslissingen te nemen, laat zich misleiden door reclame en heeft last van keuzestress. Aan de overheid de taak om de irrationele onderdanen op een subtiele wijze de goede kant op te sturen.

Het net verschenen rapport Met kennis van gedrag beleid maken heeft dezelfde paternalistische toon. De overheid legt steeds meer de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid en keuzevrijheid van de burgers, stelt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) vast. Maar veel mensen kunnen dit niet aan. Zij dreigen volgens de WRR te bezwijken onder de last van het kiezen. Het is opvallend hoe in zulke redeneringen iets heel moois, keuzevrijheid, verandert in iets engs en negatiefs: keuzestress.

Maar gelukkig is er de overheid. Die zou moeten inzien dat de burgers over een beperkte rationaliteit en wilskracht beschikken en hen moeten helpen keuzes te maken die aansluiten bij de wensen en denkbeelden van beleidsmakers. Dit op basis van gedragswetenschappelijk onderzoek. De WRR wil het ambitieus aanpakken. Het politieke adviesorgaan, dat zijn subjectieve voorkeuren graag in wetenschappelijk aandoende taal verpakt, stelt voor flinke aantallen gedragsexperts aan te trekken en bij de rijksoverheid een ‘gedragswetenschappelijke eenheid’ in te stellen.

Het informeren door de overheid in de hoop gedragingen te sturen, verdient het natuurlijk niet om principieel te worden verworpen. Het kan verstandig zijn om de burgers te wijzen op de gevaren van overmatig drankgebruik, gokverslaving en andere ondeugden. En het is nuttig om te bekijken hoe de boodschap het best kan worden overgebracht.

Vrijheid

Maar uit de rapporten van de RMO en WRR rijst een verontrustend mens- en maatschappijbeeld op. Een beeld van zielige, hulpeloze burgers die helemaal in de war zijn door alle keuzemogelijkheden in de moderne tijd en aan de hand moeten worden genomen door een wijze overheid die hen, met het algemene belang voor ogen, op het rechte pad houdt. Een overheid die weer eens moet worden uitgebreid om het volk in het morele gareel te brengen en te houden.

Nu is het ongetwijfeld zo dat mensen zich niet altijd goed laten voorlichten over alle keuzemogelijkheden en soms onverstandige keuzes maken. Als je je buik vol hebt gegeten bij de snackbar, kun je later bijvoorbeeld bedenken dat een schaaltje muesli beter voor de lijn was geweest. Iedereen dwaalt weleens en sommige mensen dwalen zelfs vrij vaak.

Maar in een vrije samenleving bestaat het recht op dwalingen. De overheid dient erg terughoudend te zijn in het, met gemeenschapsgeld, opdringen van eigen voorkeuren en het aantasten van de verantwoordelijkheid voor het eigen gedrag.

Diegene die zich brandt, moet maar op de blaren zitten. Dat is beter dan ruim baan geven aan technocraten die beweren dat de burger zijn vrijheid niet aankan.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.