Syp Wynia

Er zit geen enkele ratio achter het opheffen van gemeenten

Door Syp Wynia - 07 december 2014

Komende jaarwisseling verdwijnen weer dertien gemeenten. Dat zit aardig op het gemiddelde van de afgelopen decennia. Het opheffen van gemeenten maakt deel uit van een langere trend, maar het gaat wel steeds sneller.

Een eeuw geleden, in 1914, had Nederland 1.123 gemeenten, met gemiddeld 5.500 inwoners. Een halve eeuw geleden, in 1964, had Nederland nog 970 gemeenten. Na de jaarwisseling zullen het er 380 zijn, met gemiddeld bijna 45.000 inwoners.

Voor de leiders van VVD en PvdA, Mark Rutte en Diederik Samsom, zijn dat er nog steeds veel te veel met veel te weinig inwoners. Zij spraken in hun Regeerakkoord af dat gemeenten minstens 100.000 inwoners moeten hebben.

Waarom dat voortdurende fuseren van gemeenten moet, is intussen nogal raadselachtig. Nederlandse gemeenten zijn bijvoorbeeld qua inwonertal al bijna tien keer groter dan de gemiddelde gemeente in de landen van de Europese Unie.

Er is ook nooit een politieke partij of een actiegroep die zich tot doel stelt om een gemeente op te heffen en de bevolking vervolgens juichend achter zich krijgt.

Integendeel: burgers zijn vaak gehecht aan hun soms oeroude stad of plattelandsgemeente en de daarmee verbonden gemeenschappen. Ze leggen zich doorgaans mokkend neer bij opheffing van hun gemeente, gewend als ze zijn van alles te slikken dat over, maar zonder hen wordt beslist.

Taken

Rutte en Samsom (en minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken, die het mag uitvoeren) denken dat het oplieren van de gemeentegrootte tot minstens 100.000 inwoners 1 miljard euro per jaar oplevert. Bovendien hevelen ze allerlei taken (jeugdzorg, langdurige zorg, de onderkant van de arbeidsmarkt) over naar de gemeenten. Ze denken dat kleinere gemeenten dat niet aankunnen.

Nu bestond er al langer gerede twijfel over of gemeenten wel goedkoper worden doordat ze fuseren. Grote bedrijven zijn immers ook niet per se efficiënter dan kleine. En grote gemeenten hebben per inwoner vaak het hoogste aantal ambtenaren. Piet Hein Donner, een van de voorgangers van Plasterk, zei dan ook dat het voortgaande fusieproces wat hem betreft niet was ingegeven om geld te besparen, maar om de ‘bestuurskracht’ te versterken.

Dat praatje van de ‘bestuurskracht’ is even mistig als hardnekkig. Burgemeesters klagen wel eens dat ze geen hoge pet op hebben van hun raadsleden die zeuren over bermen en hondenpoep en hopen dat ze in grotere gemeenten van doen zullen krijgen met nette, hoogopgeleide lieden die weten om te gaan met abstracte beleidstaal.

Dat burgers zich niet meer herkennen in gefuseerde en verder doorgefuseerde gemeenten, wordt kennelijk niet als een bezwaar gezien. Maar dat is het natuurlijk wel. De gemeente hoort onderdeel uit te maken van een democratisch gedragen stelsel, niet van een technocratie.

Doorfuseren

Er blijven eigenlijk maar twee, eventueel deugdelijke, redenen over voor het massaal opheffen van gemeenten en het doorfuseren tot minstens 100.000 inwoners. De eerste: het levert veel geld op, zoals Rutte en Samsom zeggen. De tweede: gemeenten moeten groot zijn om nieuwe taken aan te kunnen, zoals zij ook denken.

De eerste reden is onzin, zoals Groningse wetenschappers rond de econoom Maarten Allers herhaaldelijk en overtuigend hebben aangetoond. Gemeentefusies leiden tot wat minder raadsleden, wethouders en burgemeesters, maar per saldo geven gemeenten in gefuseerde staat per inwoner niet minder uit en ze leveren ze ook niet meer of betere diensten.

Rutte, Samsom en Plasterk kunnen dus fluiten naar de miljard euro die ze denken te besparen met hun gemeenten van minimaal 100.000 inwoners.

Blijft over dat gemeenten groot moeten zijn om nieuwe taken aan te kunnen. Dat zou waar kunnen zijn, ware het niet dat al lang is gebleken dat gemeenten heel goed in staat zijn samen te werken, taken uit te besteden aan elkaar of aan bedrijven, waarbij uit niets blijkt dat ze het samen slechter doen dan grote fusiegemeenten.

Die samenwerkingsverbanden hebben ook het nadeel dat het gemeentewerk verder van de burger komt af te staan, maar dat geldt al helemaal voor grote fusiegemeenten.

Er zit dus geen enkele ratio achter het voortgaande opheffen van gemeenten en het creëren van steeds grotere gemeenten. Al dat gefuseer wordt aangejaagd door een illusoir, maar onuitroeibaar vooruitgangsspook in provinciehuizen en op ministeries.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.