stijl

Koninklijk glas-in-lood als veronachtzaamd erfgoed

Door Liesbeth Wytzes - 11 september 2015

In ‘Nassau en Oranje in gebrandschilderd glas’ schetst Emerentia van Heuven een kleurrijke geschiedenis van koninklijk glas-in-lood.

Toen Willem-Alexander Koning werd, waren er mensen die voorstelden de gebrandschilderde ramen in de kerken vanbinnenuit te verlichten. Dat schrijft de voorzitter van de vereniging Je Maintiendrai in het voorwoord van Nassau en Oranje in gebrandschilderd glas 1503-2005. Makkelijker zou het zijn om die kerken eens wat vaker te bezoeken, en zo de ramen te zien.

Dat deed de auteur van het boek, Emerentia van Heuven-van Nes. Tien jaar lang bezocht zij kerken en andere gebouwen met gebrandschilderde ramen die iets te maken hebben met de Oranjes. Ze noemt het een ‘veronachtzaamd erfgoed’ en beschrijft bijna 130 ramen, of ‘glazen’, zeer gedetailleerd en met de precisie die we van haar kennen uit vorige boeken.

Van Heuven, voormalig conservator van Het Loo, stelde onder meer Het Koninklijk Fotoalbum samen, en een bundel brieven van Wilhelmina aan haar gouvernante, Dear old Bones.

Die beschrijving van de ramen voert ons tot buiten de landsgrenzen, zelfs naar Brazilië. In de jaren dertig zijn daar historische gebeurtenissen vereeuwigd in de glas-in­loodramen van het gerechtsgebouw in de stad Recife. Van Heuven bezocht ook de Nederlandse kerk in Austin Friars, Londen, en locaties die niet toegankelijk zijn voor het publiek, zoals het huis van de Duitse Orde in Utrecht of dat van de Zwanenbroeders in Den Bosch.

De glazen werden geschonken door de Oranjes of aan de Oranjes. Dat eerste vooral in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw. Daarna andersom. Afgebeeld worden hoogtepunten zoals een huwelijk (Wilhelmina en Hendrik in 1901) of een geboorte (Juliana in 1909), maar ook  heldhaftige gebeurtenissen uit de vaderlandse geschiedenis. Juliana was overigens de laatste die een raam schonk, in 1936.

Kerken zijn al een tijd uit de mode, net als gebrandschilderde ramen. Ook bij lokale overheden. Van Heuven schrijft dat de belangstelling werd verlegd van ‘aan architectuur verbonden monumentale kunst’ naar ‘kunst in de omgeving’.
Wie zich in dit boek verdiept, kan het alleen maar met de auteur eens zijn: die ramen zijn de moeite van bestudering waard. Inderdaad kost dat moeite: de inhoud en betekenis van zo’n kunstwerk geven zich niet meteen gewonnen. Je moet een raam leren bekijken, en dat kost meer inspanning dan het verveelde afdwalen tijdens een ellenlange preek, de manier waarop veel mensen deze ramen hebben leren kennen.

Van Heuven is uitermate grondig en perfectionistisch. Ook verdwenen ramen komen aan bod, zoals het mooie gedenkraam voor de geboorte van prinses Juliana, dat na restauratie van de kerk in Schiedam is verdwenen. En ze kan verrassend geestig uit de hoek komen. Over het Wilhelminaraam uit 1961 bijvoorbeeld, te zien in de Oude Kerk te Delft: ‘Het gezicht is niet helemaal geslaagd – het vertoont trekken van de moeder van Joep Nicolas.’

Het eerste beschreven raam dateert van 1503 en bevindt zich in de Antwerpse Onze-­Lieve-Vrouwekathedraal. Daarop is het Laatste Avondmaal afgebeeld. Het raam is geschonken door Engelbrecht II, die vaker opdracht gaf tot het maken van gebrandschilderd glas. Belangrijk voor de status: hij staat er zelf ook op.

Het laatste raam is het Nationaal Geschenk uit 2005, ter ere van 25 jaar koningschap van koningin Beatrix. Het is te zien in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Het kunstwerk van schilder Marc Mulders heet Een tuin van glas en benadrukt het optimisme en verbindende dat Beatrix tijdens haar koningschap heeft willen uitdragen.

Dit boek, met bijdragen van historicus Simon Groenveld en van Taco Hermans, onderzoeker bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, omvat meer dan de beschrijving van die ramen; ook de geschiedenis van de Oranjes komt aan bod.

Het procedé van brandschilderen, bijna onveranderd sinds de Middeleeuwen, wordt geschetst. Zo zou dit boek meer lezers kunnen aanspreken dan alleen degenen die zijn geïnteresseerd in alles wat met het koningshuis te maken heeft.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.