Gertjan van Schoonhoven

Koester geen illusies over volksliedzingende migranten

Door Gertjan van Schoonhoven - 30 september 2017

Als het gaat om de effecten van immigratie op de Nederlandse samenleving (verzorgingsstaat, cohesie, identiteit) koestert zowel links als rechts zo zijn eigen maakbaarheidsillusies. Links hamert, zoals minister Lodewijk Asscher (PvdA) de afgelopen kabinetsperiode deed, erg op inburgering door werk. Asielzoekers zouden veel meer kans maken op de arbeidsmarkt als ze maar zo snel mogelijk – liefst nog tijdens de asielprocedure – op cursus gaan.

Het illusoire karakter van dit soort denken zit ‘m in het feit dat immigranten naar Nederland mogen komen op grond van humanitaire overwegingen, en niet van economische. Naar hun kansen op de reguliere arbeidsmarkt – die vaak nihil zijn – wordt in het geheel niet gekeken. Dat achteraf alsnog doen, is natuurlijk wel wenselijk, maar je mag er domweg geen wonderen van verwachten – en een politicus mag zeker geen wonderen belóven.

´Als ze het Wilhelmus zingen, komt alles goed’

Bij rechts is de maakbaarheidsillusie meer van culturele aard. Als je immigranten maar genoeg het Wilhelmus laat zingen of, zoals het aankomende kabinet van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie naar verluidt wil, naar het Rijksmuseum stuurt, dan wordt die immigrant – enigszins gechargeerd gezegd – als vanzelf een ingeburgerde Nederlander – een immigrant die zich de Nederlandse ‘identiteit’ heeft eigen gemaakt.

Nu kan (Rijks)museumbezoek en volkslied zingen helemaal geen kwaad. Het is nogal gemakkelijk om, zoals wel gebeurt, dit soort voorstellen meteen weg te honen als achterhaalde patriottische onzin. Nederland is in feite een immigratieland (geworden) en in allerlei grote-mensen-immigratielanden wordt grote (symbolische) waarde gehecht aan dit soort rituelen. Dedain ervoor is misplaatst – en vaak alleen maar bedoeld om te laten blijken wat voor enorme kosmopoliet men zelf is.

Illusie van maakbaarheid

Maar ook in dit soort rituelen schuilt een maakbaarheidsillusie. Om te beginnen is het voor immigranten van tegenwoordig oneindig veel makkelijker om aan hun cultuur van herkomst vast te houden, dan het in de negentiende eeuw was. En ook toen al koesterden ze – ook Nederlandse migranten in bijvoorbeeld Amerika – nog heel lang hun oude identiteit. Dat al te menselijke verschijnsel verander je niet even met volkslied en museumbezoek.

Het problematische begrip identiteit

Lastiger nog, is iets anders. Het politieke debat doet nogal makkelijk over ‘de’ Nederlandse identiteit – alsof het water uit de kraan is. Maar het is best een problematisch begrip. Het zal ongetwijfeld bestaan, maar probeer het maar eens te benoemen – of over te dragen op een ander, een vreemde. Echt nationále bronnen van trots om over te dragen op anderen zijn er bovendien niet zo gek veel, als je eerlijk bent – zeker nu het Nederlandse voetbal totaal in puin ligt.

Van oudsher is Nederland misschien wel sterker in lokale en provinciale trots dan in ‘vaderlandsliefde’, en worden lokale en provinciale ‘identiteit’ zeker zo sterk beleefd – misschien wel sterker. In dit licht zijn het Wilhelmus zingen, Rijksmuseum en Tweede Kamer bezoeken héél dunne druppeltjes op de gloeiende plaat van het inburgeringsbeleid. Verplicht bezoek aan de musea en politieke instituties van de streek waar immigranten wonen, zou net zozeer verplicht moeten worden. (De provinciale en regionale volksliederen mag je mensen niet aandoen.)

Maar dan nog. De impact van immigratie, zeker van mensen met een grote afstand tot Nederlandse arbeidsmarkt en cultuur, op de Nederlandse samenleving is groot. Alle beetjes helpen om dat in goede banen te leiden. Maar geen illusies: een selectief immigratiebeleid dat niet alleen kijkt naar de rechten van de migrant, maar ook naar de belangen van de ontvangende samenleving, blijft het beste inburgeringsbeleid.

Ingelogde abonnees van Elsevier Weekblad kunnen reageren.